De keuze van Hans Clevers
Geertje Dekkers
---
Chunglin Kwa
Hondstrouw aan Darwin
Hugo de Vries zocht de genetische basis van de evolutie
---
Maarten Derksen
Matten vlechten en insulinecoma’s
De eclectische geschiedenis van de Nederlandse psychiatrie
---
Ieme van der Poel
Literatuur-met-een-accent
---
Albert Heck
De bacteriële mens
Escherichia coli is overal
---
Martijn Lak
Wat te doen met de Duitsers?
---
Wiljan van den Akker
Gedicht
De Tocht
---
Lex van Bemmel
Een tandeloos gebit voor een heldere geest
---
Sijbolt Noorda
Van de redactie


Chunglin Kwa

Hondstrouw aan Darwin

Hugo de Vries zocht de genetische basis van de evolutie

ABG 77 (2009)  
- ADVERTENTIES -
In Splendid Isolation
A History of the Willie Commelin Scholten Phytopathology Laboratory, 1894-1992
Patricia E. Faasse
---

Vast in het spoor van Darwin
Biografie van Hugo de Vries
Erik Zevenhuizen
De belangrijkste wetenschappelijke prestaties van bioloog Hugo de Vries raakten omstreden. Dat kwam doordat hij zijn grote voorbeeld Darwin te nauw volgde, zegt zijn biograaf.

Hugo de Vries is tot zijn spijt nooit bij Darwin thuis geweest. De latere hoogleraar plantenfysiologie was nog geen jaar lector aan de kersverse Universiteit van Amsterdam toen hij in 1878 een uitnodiging kreeg om bij Darwin op bezoek te komen. Hij liet er geen gras over groeien. Zijn grootmoeder gaf hem geld voor de reis. In Engeland aangekomen, kreeg hij bericht dat Darwin bij zijn zwager logeerde in de omgeving van Londen. Daar was hij evengoed welkom. De Vries sprak er twee uur lang met Darwin, tot deze, bijna zeventig jaar oud en snel vermoeid, moest gaan rusten. De veertig jaar jongere De Vries was toch zeer tevreden; wel vond hij het jammer dat hij Darwin niet op diens beroemde landhuis in Down had kunnen ontmoeten.

De verering die De Vries voor Darwin koesterde, loopt als een rode draad door zijn leven. Hoewel hij in binnen- en buitenland beroemd was als herontdekker van de Wetten van Mendel en als ontdekker van het verschijnsel mutatie, raakte De Vries’ postume reputatie toch op beide punten omstreden. Dat dit kón gebeuren, herleidt biograaf Erik Zevenhuizen tot het feit dat De Vries zichzelf in zekere zin tekortdeed door al te vast in het voetspoor van Darwin te blijven lopen. Daar komt nog bij dat hij sommigen gebruuskeerd had. Tijdens zijn lange hoogleraarschap – hoogleraren mochten destijds nog aanblijven tot hun zeventigste, wat De Vries deed – liet hij zich niets welgevallen en betoonde hij zich een potentaat wanneer iemand hem attaqueerde. Na zijn dood vereffenden al dan niet vermeende slachtoffers openstaande rekeningen met hem.

Dat maakt het schrijven van een biografie van De Vries bij voorbaat tot een hachelijke onderneming. Hoewel hij stierf in 1935, lijken de emoties zowel op wetenschappelijk als op persoonlijk vlak soms nog vers. Een biograaf staat dus allereerst voor de taak om een nieuwe onbevangenheid te creëren. Zevenhuizen heeft dat nagestreefd door met vaste hand het (chronologische) spoor van De Vries’ leven te volgen en elke door hem geschreven snipper ten minste driemaal om te draaien. Dat het resultaat niettemin alleszins leesbaar is, is een grote verdienste.

Het is een gelukkig toeval dat vrijwel tegelijkertijd met Zevenhuizens boek, onder de passende titel Vast in het spoor van Darwin, een andere studie is verschenen waarin De Vries aan de orde komt, zij het slechts zijdelings. In In Splendid Isolation. A History of the Willie Commelin Scholten Phytopathology Laboratory 1894-1992 werpt wetenschapshistoricus Patricia Faasse licht op zijn grote invloed in de Nederlandse academische wereld. De Vries’ leerling Johanna Westerdijk, Nederlands eerste vrouwelijke hoogleraar, staat centraal in deze ‘biografie’ – die niet van haarzelf is, maar van een instituut: het Fytopathologisch Laboratorium ‘Willie Commelin Scholten’, genoemd naar weer een andere student van De Vries. Het is een weinig bekend stuk van de ‘vriesiaanse’ traditie die onafgebroken tot het einde van de twintigste eeuw heeft voortgeduurd.

‘HUGO DE VRIES DEED ZICHZELF TEKORT DOOR AL TE VAST IN HET VOETSPOOR VAN DARWIN TE BLIJVEN LOPEN.’

Lange tijd had het ernaar uitgezien dat de carrière van Hugo de Vries zich in een heel andere richting zou ontwikkelen dan die van de evolutiebiologie. Toen hij op 22-jarige leeftijd promoveerde, had hij weliswaar zijn antidarwinistische promotor W. Suringar uitgedaagd door zich tijdens de plechtigheid scherp voor de evolutietheorie uit te spreken – maar vervolgens zou hij zich vijftien jaar lang vrijwel niet met het onderwerp bezighouden. Na het behalen van de doctorsgraad ging De Vries namelijk in Duitsland werken, bij Julius Sachs, hoogleraar in Würzburg. Sachs was destijds zeker even beroemd als Darwin, en ook voor hem koesterde De Vries grote bewondering. Bij hem te mogen werken was een voorrecht waarvan De Vries zich terdege bewust was.

Maar Sachs en Darwin waren in vele opzichten elkaars tegenpolen, en zo voelde vooral Sachs dat ook. Sachs wilde de biologie volledig op experimentele leest schoeien; hij was een pionier op het gebied van het gecontroleerde experiment in de levenswetenschappen. Van natuurfilosofische speculaties moest hij niets hebben – zelfs het opstellen van hypotheses raadde hij af. Maar het traditionele natuurhistorische feiten verzamelen, en de daaruit voorvloeiende systematische indelingen van het planten- en dierenrijk, minachtte hij in even sterke mate. Sachs droeg zijn visie uit in succesvolle leerboeken, waarvoor hij door de Universiteit van Würzburg beloond werd met de bouw van een groot en modern geoutilleerd laboratorium, het eerste in zijn soort op het terrein van de biologie.

Hoewel ook Darwin veel experimenten uitvoerde, had Sachs weinig op met diens werkwijze. De gentleman-amateur Darwin deed zijn experimenten thuis, in zijn country house in Down. Dat kon geen echt laboratorium zijn, vond Sachs. Darwin van zijn kant beschouwde zichzelf als een nazaat van de zeventiende-eeuwse natuurfilosoof Francis Bacon, voor wie experimenten in het brede perspectief stonden van zo veel mogelijk feiten verzamelen over de natuur. De evolutionaire blik inspireerde Darwin tot vragen en verklaringen die voor Sachs niet door de beugel konden – bijvoorbeeld de veronderstelling dat de gevoelige punt van een uitgroeiende plantenstengel als het ware nadenkt over de richting waarin hij verder moet groeien en daartoe begiftigd is met ‘hersenen’. Voor Sachs waren alleen strikt fysisch-chemische verklaringen toegestaan. In 1878, tijdens een bezoek van Darwins zoon Francis aan Sachs’ laboratorium, kwam de tegenstelling tussen beiden scherp aan het licht. In een kort daarop verschenen publicatie schreef Sachs over Darwins ‘foute interpretaties’ en ‘grote vergissingen’.

De Vries maakte zich Sachs’ experimentele werkwijze volledig eigen in de acht jaar waarin hij regelmatig langdurige perioden in Würzburg doorbracht. Maar een honderd procent adept werd hij niet. Uit liefhebberij bleef De Vries bijvoorbeeld altijd wilde planten verzamelen tijdens lange wandelingen door de natuur, iets wat hij vanaf zijn vroege jeugd gedaan had. Andere studenten van Sachs vonden die botaniseertochten maar ouderwets en De Vries zag dat Sachs liefst niet liet merken dat hij best van wilde planten hield.

Voor Darwin was verzamelen daarentegen vanzelfsprekend. De traditionele natuurhistorische attitude verhield zich uitstekend met de enorme breedte van de evolutietheorie. Darwins huis was tegelijkertijd museum en werkplaats; De Vries’ verwachtingen ervan zullen heel wat positiever zijn geweest dan die van Sachs.

‘DE NAKOMELINGEN VAN DE TEUNISBLOEM GAVEN MEER VREEMDE “SPRONGEN” TE ZIEN DAN ENIGE ANDERE PLANTENSOORT.’

In 1885 verlegde De Vries zijn onderzoek van de fysiologie van plantengroei naar erfelijkheid. Zelfs Zevenhuizen komt er niet helemaal achter wat hem daartoe heeft bewogen. Zeker is wel dat hij geïnspireerd was door Darwins theorie over erfelijkheid, in 1868 gepubliceerd in The Variation of Animals and Plants under Domestication. Darwin had zich hierin onder meer voorgesteld dat uit het hele lichaam kleine deeltjes, gemmules genaamd, zich verzamelen in de voortplantingscellen. Deze kunnen een nieuw geheel organisme voortbrengen, ook wel pangenesis genoemd: voortbrenging van het geheel. De Vries nam de gemmules niet over, maar wel Darwins begrip ‘pangenesis’, de idee van een stoffelijke drager van erfelijkheid. Dat was destijds nog niet vanzelfsprekend. Sachs, bijvoorbeeld, had er geen goed woord voor over.

De rest van zijn leven heeft De Vries, zijn leerschool bij Sachs getrouw, onnoemelijk veel experimenten gedaan, voornamelijk kruisingsproeven. En op zoek naar materiaalafwijkingen en ‘monstruositeiten’ ging ook De Vries verzamelen. Daarbij was hij niet kieskeurig. Op een feestje ontdekte hij in een schaaltje aalbessen een wit exemplaar en een afwijkende amandel. Tijdens wandelingen in de buurt van zijn vakantiehuisje in het Gooi vond hij van allerlei planten ongewone exemplaren. Steeds probeerde hij te achterhalen of het om erfelijke variëteiten ging of dat ze alleen door bijzondere milieufactoren waren ontstaan.

Goedbeschouwd was de later zo roemrucht geworden teunisbloem, in ’s-Graveland aangetroffen, slechts een van de vele afwijkende plantexemplaren die De Vries’ belangstelling opwekten en die hij meenam naar Hilversum, en later naar zijn proeftuin in de Amsterdamse Hortus voor nader onderzoek. Het ging hier om de Oenothera lamarckiana, de grote teunisbloem, een voor het eerst in 1796 door de bioloog Jean-Baptiste Lamarck beschreven soort. Later, in 1895, zou De Vries het Parijse Muséum national d’Histoire Naturelle binnenstappen om te controleren of zijn planten dezelfde waren als die van Lamarck (het was zo); en weer later, in 1913, nog eens, om het absoluut zeker te weten. Maar toen waren de bijzondere genetische eigenschappen van O. lamarckiana inmiddels tot een voor De Vries pijnlijk onderwerp uitgegroeid.

De teunisbloem werd vanaf 1887 zo aantrekkelijk als experimentele plant omdat relatief veel nakomelingen op onverwachte wijze afweken van het ouderpaar – ze gaven dus meer vreemde ‘sprongen’ te zien dan enige andere plantensoort. Deze sprongen waren zo groot en zo vreemd dat het niet om ‘gewone’ variabiliteit leek te gaan. De Vries ging denken aan sprongsgewijze evolutie en meende een soortvormend proces op het spoor te zijn gekomen. Rond 1900 begon hij hiervoor het woord ‘mutatie’ te gebruiken.

Met dit begrip had De Vries meteen geweldig succes, in eigen land maar ook in de Verenigde Staten. Amerikaanse biologen kwamen hem in Amsterdam opzoeken, onder wie een nog jonge Thomas H. Morgan. Diverse uitnodigingen naar de Verenigde Staten volgden. Zijn Amerikaanse gastheren manifesteerden zich als gretige leerlingen. Verscheidene malen logeerde De Vries bij Morgan, die het mutatieconcept aandachtig in zich opnam. Maar na 1908 begonnen andere Amerikaanse biologen twijfels te krijgen of er bij de teunisbloem wel sprake kon zijn van mutaties. Al eerder was geopperd dat O. lamarckiana misschien gewoon een hybride was, een kruising tussen twee soorten teunisbloemen. Deze vermoedens kregen meer kracht. Een veeg teken was dat nog nooit iemand in de Verenigde Staten – toch het land van oorsprong van de teunisbloem – O. lamarckiana had waargenomen.

‘DE VRIES BEET ZICH IN DE TEUNISBLOEM VAST EN WEERLEGDE ELKE VOLGENDE AANVAL MET EEN NIEUW DOOR HEM BEDACHT GENETISCH MECHANISME.’

De Vries beet zich echter in de teunisbloem vast en weerlegde elke volgende aanval met een nieuw door hem bedacht genetisch mechanisme. Het lijkt een klassiek geval van het overeind houden van een achterhaald paradigma, behalve dat in dit geval de theorie (de mutatietheorie) uiteindelijk zou blijven staan, maar het voorbeeld (de teunisbloem) moest sneuvelen. Volgens een latere, nog steeds geaccepteerde reconstructie is O. lamarckiana in Liverpool ontstaan, als hybride van een oostkust- en een westkustteunisbloem, beide daar gebracht vanuit Amerikaanse havens. De chromosomen in deze hybride zijn heel merkwaardig gerangschikt en dat leidt inderdaad tot vreemd en onvoorspelbaar nageslacht. Helaas voor De Vries bevestigt dit alleen maar dat zijn tunnelvisie inzake de teunisbloem uiteindelijk een doodlopend spoor in het evolutieonderzoek was.

De tragiek van De Vries kwam voort uit méér dan alleen een keuze voor de verkeerde plant. Het doen van genetische proeven met planten impliceert een onderzoekstempo dat zich aanpast aan het natuurlijke ritme van de voortplantingscyclus – en die laat zich bij planten in jaren tellen. In 1894 had een oud-leerling van De Vries, F.A.F.C. Went, de suggestie gedaan om met de zich aanzienlijk sneller voortplantende schimmels te werken. Maar De Vries volgde Wents raad niet op. Zevenhuizen beperkt zich ertoe om op droge wijze deze episode te verhalen, maar je hoort hem denken: had hij het maar gedaan. Want de sleutel van het succes van Morgan, die met de mutatietheorie aan de haal was gegaan, lag in diens gebruik van Drosophila, het kleine fruitvliegje. Morgan vond zijn eerste grotere mutatie in januari 1910. De Vries’ theorie dat mutaties vaak in bepaalde variëteiten voorkomen indachtig, kruiste hij door met dezelfde lijn en vond een tweede mutatie in november van hetzelfde jaar, dertig generaties fruitvliegjes later. Dat was het begin van de ontwikkeling van de fruitvlieg tot een ware mutatiemachine.

‘VOOR DARWIN WAS VERZAMELEN VANZELFSPREKEND; ZIJN HUIS WAS TEGELIJKERTIJD MUSEUM EN WERKPLAATS.’

Behalve bij De Vries vond de genetische fundering die Darwin zijn evolutie meende te kunnen meegeven met zijn pangenesistheorie bijzonder weinig weerklank. Al ruim een eeuw is het standaardverhaal als volgt: Darwins theorie was onjuist. Wat nodig was, waren de wetten van genetische overerving, in 1866 gepubliceerd door de monnik Gregor Mendel. Maar Darwin (en niet alleen hij) had Mendels publicatie per ongeluk ongelezen terzijde gelegd. Pas toen de Wetten van Mendel werden herontdekt na Darwins (en Mendels) dood, door onder anderen De Vries, kreeg de evolutietheorie haar benodigde fundering. Helaas voor De Vries brachten daarna andere onderzoekers de echte synthese tussen Darwin en Mendel tot stand. En eigenlijk is helemaal niet zeker of De Vries wel terecht tot de herontdekkers wordt gerekend.

Niet elk draadje van deze kluwen van historische gemeenplaatsen kan hier worden ontward; we moeten ons beperken tot De Vries’ aandeel in het geheel. Hoewel het bijna onmogelijk lijkt dat een historicus nog iets weet toe te voegen aan de reconstructie van het verhaal van de Mendelherontdekking, is Zevenhuizen daar toch in geslaagd. Een deel van zijn reconstructie was overigens al in tijdschriftartikelen beschreven.

Een van de ideeën die De Vries al vroeg uit het werk van Darwin oppikte, was dat een soort geen ondeelbare eenheid is – geen ‘type’, maar opgebouwd uit zelfstandige eigenschappen die op alle mogelijke manieren met elkaar mengbaar zijn. Darwin had geconstateerd dat men dezelfde eigenschap bij zeer verschillende organismen kan aantreffen. Zowel dieren als vleesetende planten gebruiken bijvoorbeeld dezelfde stoffen bij het verteren van dierlijke eiwitten. Zevenhuizen wijst erop dat De Vries zeer door dit voorbeeld was getroffen. Dat deze later zou beweren dat wat zijn tijdgenoten aan Mendel toeschreven eigenlijk al bij Darwin te vinden is, is in het licht van dit voorbeeld niet eens zo verwonderlijk.

De kruisingsproeven die De Vries in de jaren negentig deed, zullen hem hebben gesterkt in de idee van uitsplitsbare verhoudingen. Door op zijn resultaten de statistiek toe te passen, vond hij allerlei uitsplitsingen van eigenschappen, zoals tussen harig en glad en tussen blauw en wit, in bepaalde getalsverhoudingen. Een tijdlang meende hij op een 1:4:6:4:1 verhouding te zijn gestuit, die hij na enige tijd herleidde tot een 1:2:1 verhouding. Of het echter om een wetmatigheid ging, kon hij in 1895 volgens Zevenhuizen waarschijnlijk nog niet met zekerheid uitmaken – hoewel in De Vries’ voordeel spreekt dat hij in deze tijd af en toe een notitie maakt over een ‘1.2.1-wet’.

‘IN HET GEVAL VAN DE TEUNISBLOEM ZOU DE THEORIE UITEINDELIJK BLIJVEN STAAN MAAR MOEST HET VOORBEELD SNEUVELEN.’

Wat het lezen van Mendels artikel betreft: Zevenhuizen acht het denkbaar dat De Vries daarop in 1895 of 1896 is gestuit. Hij zal daarin dan de 1.2.1-wet herkend hebben. Hoe dat ook zij, begin 1900 publiceerde De Vries een hele reeks eigen kruisingsproeven met getalsverhoudingen in overeenstemming met de Wetten van Mendel. Hij noemde die ook. Voor het overige kaderde hij alle resultaten in zijn eigen pangenesistheorie in: ‘elke planteneigenschap is opgebouwd uit eenheden die aan materiële dragers zijn gebonden’, schreef hij. In het najaar van 1900 publiceerde De Vries nóg een artikel, waarin hij erop wees dat veel andere kruisingsresultaten, met name die van de teunisbloem, niet met Mendel in overeenstemming waren. Had hij die resultaten niet gehad, zo vertelde De Vries vele jaren later, dan zou hij de herontdekking van de Mendelwetten veel eerder bekend hebben gemaakt.

In 1906 weigerde De Vries zitting te nemen in een herdenkingscomité voor Mendel. In 1922 volgde nogmaals een weigering, ditmaal om bij de herdenkingsbijeenkomst voor Mendels honderdste geboortedag aanwezig te zijn in Brünn (Brno, in de Tsjechische Republiek). Deze houding is later uitgelegd als een teken dat De Vries Mendel niet echt begrepen had – of zijn eigen ontdekkingen belangrijker vond dan die van Mendel. Maar zijn weerzin was vooral ingegeven door het gevoel dat Darwin onrecht werd aangedaan. ‘Anti-Engels’, noemde hij de organisatoren van de Mendelvieringen. De Vries respecteerde Mendel, maar vooral als degene die Darwins pangenesisidee had bevestigd.

Zevenhuizens uitspraak dat De Vries ‘de resultaten van Mendel als eerste op hun waarde wist te schatten’ (en dus terecht als herontdekker van Mendel kan worden aangemerkt) is een van de zeldzame oordelen die in de biografie te vinden is. Voor het overige beperkt de auteur zich ertoe het genetisch denken van De Vries zo goed mogelijk in de context van zijn tijd te plaatsen, en dus niet langs de meetlat te leggen van de later uitgekristalliseerde en gecanoniseerde Mendelinterpretatie. Zevenhuizen achterhaalt zo een wonderbaarlijke, niet meer bestaande biologie. Latente en semilatente pangenen, retrogressieve en degressieve mutaties zijn concepten die inmiddels hun betekenis hebben verloren. Ze werden door De Vries gemunt in een tijd dat in de biologie sowieso heel veel concepten maar een kort leven was beschoren.

In de biografie komen ook heel andere aspecten van De Vries’ leven aan bod dan netelige prioriteitsvragen en ongelukkig gekozen proefplanten. Zijn vroege toepassing van de statistiek op experimentele resultaten was een gouden greep. De Vries’ vernieuwingen in de wetenschappelijke methodiek werden vergemakkelijkt doordat hij een uitgebreid en heterogeen netwerk van contacten onderhield. Internationaal was hij daarin het meest succesvol, mogelijk omdat hij als gelijke onder gelijken opereerde. In Nederland speelde De Vries’ patriarchale karakter (of de patriarchale academische cultuur) hem parten. Zijn beste leerlingen, Frits Went en Johanna Westerdijk, was hij behulpzaam bij het verkrijgen van benoemingen. Maar hij haalde ze niet naar Amsterdam, wilde dat mogelijk helemaal niet.

Toen bij De Vries’ afscheid aan de Universiteit van Amsterdam zijn opvolging bovendien op veel bescheidener schaal bleek te zijn geregeld dan hijzelf had gewild – een tweede leerstoel was er niet gekomen – zakte de UvA op plantenfysiologisch gebied weg in vergelijking met Utrecht, waar Went intussen hoogleraar was geworden. En in vergelijking met het Fytopathologisch Laboratorium in Baarn, maar daar hield de UvA nog een vinger in de pap met een bijzonder hoogleraarschap. Dat zou in 1930 vergeven worden aan Westerdijk (al sinds 1917 bijzonder hoogleraar in Utrecht): hét gezicht van het Willie Commelin Scholten Laboratorium.

De beschrijving van Westerdijks directeurschap beslaat ongeveer de helft van Patricia Faasses geschiedenis van het Fytopathologisch Laboratorium, dat het grootste deel van zijn bestaan in Baarn was gevestigd. Op dit moment bestaat er alleen nog een stichting die de naam Willie Commelin Scholten draagt. Als opdrachtgever van haar geschiedschrijving plaatste zij zich keurig op afstand, wat Faasse in staat stelde deze kritisch te benaderen. De geschiedenis begint met Willie, zoon van de vermogende Caspar Scholten en Hendrina Commelin.

‘DE VRIES KAN TOCH WEER ALS HERONTDEKKER VAN DE MENDELWETTEN WORDEN BESCHOUWD.’

Later, veel later, hebben betrokkenen van het eerste uur gesuggereerd dat De Vries er een persoonlijke agenda op na hield toen hij het echtpaar Scholten-Commelin hielp bij het formuleren van de missie voor het instituut dat zij begunstigden ter nagedachtenis van hun jong gestorven zoon, opgericht een jaar na diens dood in 1893. Het zou ‘plantenziekten’ worden, oftewel fytopathologie. De jonge Willie had wel iets gehad met de bloembollen en hun teelt uit zijn geboortestreek, maar veel meer om op af te gaan was er niet. Hoe dat ook zij, het laboratorium heeft bijna een volle eeuw van onderzoek gefunctioneerd, totdat het geveld werd door simpele bureaucratische logica – waarover zo dadelijk meer.

De Vries had een scherpomlijnd idee over het verschil tussen puur en toegepast wetenschappelijk onderzoek. Hijzelf beoefende de eerste soort. Weliswaar stond hij met diverse kwekers op vriendschappelijke voet, maar in wezen zag hij niet meer in ze dan handige leveranciers van interessante variëteiten en kweektechnieken. Wilde De Vries het instituut op veilige afstand van hemzelf zetten door het een toegepaste missie mee te geven?

De eerste directeur van het Willie Commelin Scholten, Jan Ritzema Bos, volgde een sterk toegepaste en dienstverlenende koers. Te exclusief dienstverlenend, vond zijn omgeving, en na tien jaar verdween hij naar Wageningen. Het bestuur benoemde vervolgens de 23-jarige Westerdijk tot directeur. Zij had gestudeerd bij De Vries en was in acht maanden tijd gepromoveerd in Zürich. Tot 1952 – ze was toen 69 – zou ze directeur blijven van het in een koloniale Baarnse villa gehuisveste instituut.

Westerdijk volbracht de balanceeract tussen fundamenteel en toegepast onderzoek met grote handigheid. Enerzijds stuurde ze naar een academische stijl van onderzoek, publicaties dus, en een focus op de ‘onderliggende oorzaken’ van de plantenziekten. Anderzijds pakte ze voortdurend praktische vragen als onderzoeksonderwerpen op. Boeren en tuinders hield ze te vriend. ‘Dutch Elm disease’ dankt zijn naam niet aan het vaker voorkomen van iepenziekte in Nederland of aan haar ontstaan alhier (beide niet het geval), maar aan het feit dat de eerste wetenschappelijke publicatie hierover uit een Nederlands instituut kwam.

Nog opmerkelijker is dat zes Baarnse auteurs over de iepenziekte promovendae van Westerdijk waren. Als broedplaats van vrouwelijk talent had het laboratorium zijn gelijke niet in de Nederlandse wetenschappelijke wereld: in totaal 26 vrouwen behaalden het doctoraat in de Westerdijkse periode. Het is wat dat betreft ere wie ere toekomt, maar dat verhindert Faasse niet ook een schaduwkant van Westerdijks directeurschap aan de orde te stellen, zij het met grote voorzichtigheid.

Na de oorlog heeft Westerdijk ongemakkelijke vragen moeten pareren over de manier waarop zij het instituut door de oorlogsjaren heen had geloodst – met relatief weinig schade vond zijzelf. De vragenstellers zullen echter ook gedacht hebben aan dat ene staflid, een NSB’er, die gelaarsd en wel op de groepsfoto’s van het laboratorium prijkt. Hopelijk weten we meer wanneer Faasses biografie van Westerdijk verschijnt.

‘ALS BROEDPLAATS VAN VROUWELIJK TALENT HAD HET WILLIE COMMELIN SCHOLTEN LAB ZIJN GELIJKE NIET IN DE NEDERLANDSE WETENSCHAPPELIJKE WERELD.’

Na de oorlog veranderde de institutionele omgeving van het Baarnse laboratorium sterk. Al onder Westerdijk had het sterke relaties opgebouwd met de universiteiten van Utrecht en van Amsterdam. Onder haar opvolgster Louise Kerling werd de afhankelijkheid van beide universiteiten allengs groter. In de jaren zestig betaalden deze zonder problemen de steeds duurdere apparatuur die het laboratorium nodig had om in het fundamenteel onderzoek bij te kunnen blijven. Er werden stafleden aangetrokken die op de loonlijsten van Utrecht en Amsterdam stonden. Ondanks zijn particuliere status werd het instituut daardoor de facto een interuniversitair instituut.

De simpele bureaucratische logica die het in 1990 de das omdeed, was de richtlijn van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap die een plafond stelde aan het aantal vierkante meters per universiteit. Overschrijdingen kostten 300 gulden per vierkante meter, en daar had de villa in Baarn er veel te veel van. De UvA ‘trok de stekker eruit’ en er restte niets anders dan de fytopathologische staf op te delen en te integreren in de beide universiteiten afzonderlijk.

Faasse laat betrokkenen aan het woord die erop wijzen dat het Willie Commelin Scholten eind jaren tachtig geen kampioen van voldoende formaat had die het gaatje in de bureaucratische logica had kunnen vinden. Ongetwijfeld was dat zo. Maar daarnaast kunnen we opmerken dat de klassieke universiteiten zelf al lang de balanceeract tussen fundamenteel en toegepast onderzoek hadden moeten leren beheersen. Er zijn geen Hugo de Vriezen meer die toegepast onderzoek buiten de deur zouden willen houden. Integendeel.


Chunglin Kwa is universitair docent wetenschaps- en technologiestudies aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn boek De ontdekking van het weten (Uitgeverij Boom, Amsterdam 2005) verschijnt volgend jaar in vertaling bij Penn State University Press, mede dankzij een vertaalsubsidie van NWO.


Besproken boeken:
In Splendid Isolation - A History of the Willie Commelin Scholten Phytopathology Laboratory, 1894-1992
door Patricia E. Faasse
KNAW Press
Amsterdam 2008
296 pag.
, € 40,00
Vast in het spoor van Darwin - Biografie van Hugo de Vries
door Erik Zevenhuizen
Uitgeverij Atlas.
Amsterdam 2008
672 pag.
, € 49,90



Literatuur:
R. Kohler. Lords of the Fly. Drosophila Genetics and the Experimental Life. University of Chicago Press. Chicago 1994.