
Tulipmania. Money, Honor and Knowledge in the Dutch Golden Age Anne Goldgar
|
De Academische Boekengids 63, juli 2007, pp. 3-4.
De Tulpengekte uit de Gouden Eeuw heeft bij Engelstalige auteurs tot de wildste verhalen geleid. Een nieuwe studie van historica Anne Goldgar rekent af met de mythe dat de hele Nederlandse bevolking met bloembollen speculeerde.
Kort samengevat bestaat de Nederlandse geschiedenis voor veel Amerikanen uit twee onderwerpen die in Nederland veel minder bekend zijn: het verhaal van Hansje Brinker en de Tulpengekte. Iedere Amerikaan kent Hansje Brinker, het dappere jongetje dat zijn vinger in het gat in de dijk stak en zo voorkwam dat Nederland overstroomde. Ook naar de Tulpengekte wordt in de Verenigde Staten veel vaker verwezen dan in Nederland. In de zeventiende eeuw werden tulpenbollen verhandeld tegen bedragen waarvoor je ook een Amsterdams grachtenhuis kon kopen. Op 5 februari 1637, op het hoogtepunt van de gekte en kort voordat de prijzen instortten, zou bij een veiling 4.203 gulden betaald zijn voor een Viceroy-bol en 5.200 gulden voor een Admirael van Enchuysen.
Bij iedere nieuwe hausse op de aandelenmarkt wordt dan ook de vergelijking gemaakt met de Tulpengekte: waar handelaars destijds speculeerden met de bol van een vergankelijke bloem, kennen we nu enorme waarde toe aan bedrijven die nog nooit winst gemaakt hebben en steken we ons diep in de schulden om huizen te kopen die misschien zwaar overgewaardeerd zijn. De commentaren hebben daarbij altijd ook een moralistische ondertoon; we weten immers hoe het met de tulpenhandelaars afgelopen is. Toch?
Nou nee, eigenlijk niet. Hansje Brinker is pure fictie, daar kan geen twijfel over bestaan. Hij is een personage uit het veelgelezen jeugdboek
Hans Brinker or the Silver Skates (1865) door Mary Mapes Dodge. Maar ook het beeld van de Tulpengekte wordt voor een groot deel bepaald door anekdoten en fictie. Vooral het uit 1841 daterende
Memoirs of Extraordinary Popular Delusions and the Madness of Crowds van Charles Mackay heeft daartoe bijgedragen, ook al besteedde hij er slechts negen pagina’s aan. Mackay wekte de illusie dat de gekte het hele land in haar greep hield: ‘the ordinary industry of the country was neglected, and the population, even to its lowest dregs, embarked in the tulip trade’. Toen de handel eenmaal inge-stort was, regende het faillissementen. ‘Substantial merchants were reduced almost to beggary, and many a representative of a noble line saw the fortunes of his house ru-ined beyond redemption.’ De hele Nederlandse economie zou volgens Mackay in een recessie geraakt zijn. De anekdoten die hij beschrijft – zoals de zeeman die na lange tijd in de Nederlanden teruggekeerd een bol van de waardevolste soort voor een ui aanzag en lekker bij zijn haring oppeuzelde – worden in nieuwe publicaties telkens weer opgerakeld.
‘DE TULPENTEELT, WAARBIJ GEPROBEERD WERD DOORADERDE EN GEVLEKTE TULPEN TE KWEKEN, GOLD ALS EEN KUNSTVORM.’
Vele Engelstalige auteurs – Nederlandse historici laten het onderwerp links liggen – hebben het verhaal van de Nederlandse Tulpengekte opnieuw verteld, zonder daarvoor zelf onderzoek te doen. Dat zou ze dan ook de nodige moeite hebben gekost: de Nederlandse taal en het Nederlandse schrift uit de zeventiende eeuw zijn bepaald niet eenvoudig. Dit leidt er wel toe dat dezelfde clichés keer op keer worden uitgemolken. Zo zijn recentelijk alle bekende verhalen weer eens voorbijgekomen in Mike Dash’ populair-wetenschappelijke
Tulipomania. Dash heeft wel een interessante invalshoek door de gekte te vergelijken met een piramidespel. Ook Peter Garber voegt weinig toe aan de kennis over de Tulpengekte. In
Famous First Bubbles betoogt hij op een weinig overtuigende manier dat drie vroegmoderne financiële crises, waaronder de Tulpengekte, eenvoudig te verklaren zijn als je kijkt naar de
fundamentals: de onderliggende omstandigheden.
Daarentegen is de recente studie
Tulipmania. Money, Honor and Knowledge in the Dutch Golden Age van de Engelse historica Anne Goldgar wel gebaseerd op nieuw onderzoek. Goldgar, bekend van het boek
Impolite Learning. Conduct and Community in the Republic of Letters, 1680-1750 (1995), leest Nederlands en is systematisch op zoek gegaan naar bronnenmateriaal over de Tulpengekte in (voornamelijk notariële en rechterlijke) archieven. Zij is hiermee de eerste sinds het onderzoek door een archivaris uit de jaren twintig van de vorige eeuw, gepubliceerd en van een inleiding voorzien door de vermaarde Nederlandse economisch historicus N.W. Posthumus (1880-1960). Goldgar is cultuurhistorica, geen economisch historica. Zij probeert de wereld achter de tulpenhandel te reconstrueren om zo meer inzicht te krijgen in de beweegredenen van de handelaars en een verklaring te vinden voor hun bereidheid om zulke hoge prijzen voor een tulpenbol te betalen.
Vanaf het einde van de zestiende eeuw werd de tulp in de Nederlanden onderdeel van een cultuur van tuinieren en het verzamelen van exotica, beide door immigranten uit de zuidelijke gewesten in het noorden ingevoerd. Er ontstond een gemeenschap van ‘liefhebbers’ die onderling informatie en bollen uitwisselden. Maar de tulp was zo zeldzaam, en daardoor ook zo duur, dat de gemeenschap niet kon drijven op liefhebberij alleen. Geld ging een rol spelen. Carolus Clusius, die als directeur van de Leidse botanische tuinen veel heeft bijgedragen aan de teelt en de verspreiding van de tulp in de Nederlanden, spuwde hier in 1594 zijn gal over in een brief aan de beroemde humanist en medeliefhebber Justus Lipsius. Clusius was bang het plezier in tuinieren te zullen gaan verliezen nu zelfs koopmannen en ambachtslieden, die alleen tulpen bezaten om erover te pochen tegen hun vrienden, zich ermee gingen bemoeien. ‘To hell with those who started all this buying and selling!’
Al ver voor de jaren dertig van de zeventiende eeuw was de tulp dus niet alleen een mooie bloem; zij was een verhandelbaar goed en werd een toegangskaartje tot de elite. De rijken in de zeventiende-eeuwse Republiek verzamelden kunst; de tulpenteelt, waarbij geprobeerd werd dooraderde en gevlekte tulpen te kweken, gold als een kunstvorm. Kennis over en bezit van tulpen verschaften zo toegang tot de elite. Voor de meest bijzondere gevlekte en gevlamde tulpen werden dan ook al ver voor de hype hoge prijzen geboden. Al in 1625 werd een bod van drieduizend gulden voor een Semper Augustus (een bescheiden huis in Haarlem kostte in die tijd rond de duizend gulden) door de eigenaar afgewezen. Misschien vond de teler de bloem zo mooi dat hij die voor zichzelf wilde behouden. Of misschien wilde hij er nog meer aan verdienen door er meer bollen van te kweken. Een dergelijk bedrag was in die jaren overigens uitzonderlijk. Tien jaar later waren dergelijke bedragen veel gewoner.
Wie waren de handelaars die zoveel geld voor een bol boden? Goldgar ontkracht de mythe dat de hele Nederlandse bevolking, inclusief gewone arbeiders, bij de handel betrokken was, zoals Mackay het deed voorkomen. Volgens Goldgar vond het overgrote deel van de tulpenhandel plaats binnen een beperkte groep van aanzienlijke stedelijke burgers, voornamelijk kooplieden en geschoolde vaklui. De handelaars vormden een hechte groep: er waren familierelaties, ze woonden vaak bij elkaar in de buurt en velen maakten deel uit van de doperse gemeenschap. In Haarlem valt het aandeel lakenhandelaars op en in Enkhuizen de apothekers. Maar er vonden weinig transacties plaats binnen de groep; het eigen netwerk leverde de handelaars de benodigde informatie over de tulpenhandel en het vertrouwen dat die geregeld verliep.
Goldgar maakt ook een einde aan de mythe dat duizenden Nederlanders als gevolg van de Tulpengekte aan de financiële afgrond raakten. Zij heeft slechts een enkel faillissement gevonden dat aan de tulpenhandel gerelateerd kan worden. Ook de beroemde kunstschilder Jan van Goyen is volgens Goldgar niet als gevolg van de tulpenhandel aan de grond geraakt. Van Goyen (1596-1656), die bij zijn dood bankroet was, had kort voor de crash in februari 1637 enkele onfortuinlijke tulpentransacties gedaan met de Haagse burgemeester Allert Claesz van Ravesteijn. Maar bij Van Ravesteijns dood in 1641 was Van Goyen hem maar 897 gulden verschuldigd, een fractie van de totale schuld die de schilder naliet: achttienduizend gulden. Van Goyen had een veelvoud van het met de tulpenhandel verloren geld met landspeculatie verspeeld. Het is een mooi verhaal – niet voor niets wordt het in ieder boek over de Tulpenmanie weer opgerakeld – maar het is niet echt gebeurd.
‘VOLGENS GOLDGAR IS HET NIET VREEMD DAT OOK NIET-LIEFHEBBERS IMMENSE BEDRAGEN VOOR TULPENBOLLEN BETAALDEN, WANT NIEMAND KON VOORZIEN DAT DE MARKT INEEN ZOU STORTEN.’
Het aantal tulpenhandelaars was dus beperkt en volgens Goldgar waren zij prima op de hoogte van de details van de handel. Dit maakt het des te opmerkelijker dat zij in januari en de eerste dagen van februari 1637 schijnbaar irrationeel hoge bedragen voor tulpenbollen overhadden. Volgens Goldgar niet. Zij betoogt dat de liefhebbers de hoge prijzen normaal gevonden moeten hebben. Zij vonden bepaalde tulpensoorten nu eenmaal zo bijzonder dat zij heel veel waarde aan de bollen toekenden. Tot zover gaat het goed, maar vervolgens probeert Goldgar te verklaren dat ook niet-liefhebbers immense bedragen voor tulpenbollen betaalden. Dit was volgens haar evenmin vreemd, want niemand kon voorzien dat de markt ineen zou storten. En het is volkomen rationeel om te investeren in een goed dat alsmaar in prijs stijgt: ‘if the market had held, it would have been supremely sensible to invest one’s money in tulip bulbs’.
Maar dat is het nou juist; de prijzen bleven niet stijgen, zij stortten in. Begin februari stokte de handel. Goldgar geeft daar geen afdoende verklaring voor. Zij bagatelliseert ook het feit dat het maar
tulpenbollen waren. Voor Goldgar maakt dat niets uit, je zou volgens haar ook kunnen zeggen ‘het is maar goud’. Toegegeven, zowel bij tulpen als bij goud wordt de prijs bepaald door schaarste. Maar tulpen kunnen vermenigvuldigd worden, ze kunnen ziek worden (de gewilde gevlamde en gevlekte patronen worden overigens veroorzaakt door ziekte, maar dat wist men in de zeventiende eeuw nog niet), ze kunnen rotten en zijn aan mode onderhevig. Dit is allemaal bij goud niet het geval.
In de kern geeft Goldgar geen verklaring voor het interessantste punt van de Tulpengekte: het prijsverloop. Zij lijkt dit te willen verhullen door te benadrukken dat de gekte veel meer een maatschappelijke crisis was dan een financiële. De hele tulpenhandel was gebaseerd op eer en vertrouwen; de handel vond voornamelijk in de winter plaats; dan zaten de bollen nog in de grond. De koper moest de verkoper er dus op kunnen vertrouwen dat de bol daadwerkelijk aan de specificaties voldeed. Ook de eer van de handelaar speelde een belangrijke rol. Als een koper op het laatste moment afzag van een transactie, moest hij ‘rouwkoop’ betalen: een boete om zijn eer te herstellen. Maar toen na de crash veel kopers hun verplichtingen niet konden nakomen, namen verkopers geen genoegen met ‘rouwkoop’. De eer en het onderlinge vertrouwen waren opeens ver te zoeken en dit leidde tot ontwrichting van de gemeenschap. De autoriteiten hielpen niet om de verhoudingen te herstellen; de handelaars moesten zelf uitmaken hoe zij de geschillen beslechtten.
Goldgars sociaal-culturele verhaal is interessant, maar ze kan er het prijsverloop tijdens de Tulpengekte slechts ten dele mee verklaren. Ook andere auteurs hebben grote moeite met het vinden van verklaringen. Hoe zit het bijvoorbeeld met die
market fundamentals? Garber betoogt dat het in de bloemenhandel een normaal patroon is dat veel geld betaald wordt voor nieuwe soorten en dat de prijzen dalen naarmate meer bollen van dezelfde soort beschikbaar komen. Maar daarmee alleen kan hij de hevige prijsstijgingen van januari 1637 niet verklaren, noch de daaropvolgende crash. Volgens Garber had de grootschalige pestepidemie kort voor de Tulpengekte geleid tot fatalisme onder de Nederlanders, waardoor de immense bedragen niet zoveel betekenis meer hadden. Verder leidt hij uit het handelen en het sluiten van contracten in cafés af – wat overigens heel normaal was in de Republiek – dat de Tulpengekte niet meer was dan een ‘meaningless winter drinking game’. Dat is een wel erg simplistische verklaring.
‘TOEN DE GOEDKOOPSTE TULPEN ZO DUUR WAREN GEWORDEN DAT BEGINNENDE HANDELAARS ZE NIET MEER KONDEN BETALEN, STOKTE DE TOESTROOM EN STORTTE DE PIRAMIDE INEEN.’
De vergelijking met een piramidespel, die in het boek van Dash naar voren komt, kan het prijsverloop in de winter van 1636-1637 mogelijk verklaren. Bij een piramidespel komt de inleg van mensen onder aan de piramide ten goede aan de deelnemers aan de top. Zolang er nieuwe mensen geworven worden, behalen de hogere niveaus grote winsten. Maar op het moment dat de toestroom van nieuwe deelnemers stokt, verdwijnt het fundament onder de piramide en stort zij ineen. Het kan zijn dat de Tulpengekte in die wintermaanden een soort piramidespel was – zij het zonder vooropgezet plan. De handel in de minder gewilde, effen tulpen vormde het fundament van de piramide. Deze bollen waren tot 1636 goedkoop gebleven, maar stegen aan het einde van dat jaar in prijs. Het daarmee verdiende geld kon vervolgens geïnvesteerd worden in duurdere soorten enzovoort. Maar toen de goedkoopste tulpen zo duur waren geworden dat beginnende handelaars ze niet meer konden betalen, wat inderdaad het geval lijkt te zijn geweest op 3 februari in Haarlem, stokte de toestroom en stortte de piramide ineen.
Dash’ theorie van het piramidespel verklaart voor een deel het verloop van de Tulpengekte. Zo gingen enkele dagen na de crash van de Haarlemse tulpenmarkt bollen nog steeds voor hoge bedragen van de hand in Amsterdam en Alkmaar. In Alkmaar werden op 5 februari zelfs de hoogst bekende bedragen geboden. Het is onwaarschijnlijk dat het nieuws Alkmaar en Amsterdam nog niet bereikt had; het lijkt erop dat hier onafhankelijke piramidespelen naast elkaar bestonden en dat de toestroom in Alkmaar en Amsterdam pas later stokte.
Ook verklaart het waarom de prijzen van de minder gewilde tulpen in februari 1637 kelderden, maar die van de gevlamde en gevlekte een veel kleinere val kenden. De echte liefhebbers handelden onafhankelijk van de piramide. Zij waren de enigen, en dat is precies de kern van het boek van Goldgar, die de waarde van deze tulpensoorten zagen. Zij waren ook de enigen die écht bereid waren zulke bedragen voor bollen neer te leggen. Dat deden ze al lang voor de winter van 1636-1637 en dat bleven ze ook nog lang doen.
Lodewijk Petram is promovendus bij de leerstoelgroep Economische en Sociale Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij doet onderzoek naar de handel in VOC-aandelen in de zeventiende eeuw.Besproken boeken:
 |
Tulipmania. Money, Honor and Knowledge in the Dutch Golden Age door Anne Goldgar University of Chicago Press. Chicago 2007.
400 pag. , € 29,50
|
Literatuur:-
M. Dash (2000).
Tulipomania. The Story of the World’s Most Coveted Flower and the Extraordinary Passions It Aroused. New York: Three Rivers Press.
-
P.M. Garber (2000).
Famous First Bubbles. The Fundamentals of Early Manias. Cambridge, Mass: The MIT Press