De keuze van Dick Swaab
door Eva van den Broek
---
door Thijs Weststeijn
Hollandse horizon
Schilderkunst als raamwerk voor een Nederlands wereldbeeld
---
door Gerdien de Jong
Het dier – een bouwpakket
---
door Wim Berkelaar
Polemist voor eigen parochie
A.Th. van Deursen als historicus en fundamentalist
---
door Boudewijn de Bruin
Versneden vrijheid
Over onbenutte mogelijkheden als meetbaar kapitaal
---
door Jaap Goudsmit
Het project God
---
Nachoem M. Wijnberg
LIEDJE
---
door Sybe Izaak Rispens
Reactie: Rispens over Van Dongen
Debye deed wél concessies aan Hitler
---
door Chams Eddine Zaougui
De Spinoza Code
Nieuwe interpretaties laten het raadsel intact
---
door Anton van Hooff
De stijlvolle dood
Zelfmoord als klassiek ideaal


door Chams Eddine Zaougui

De Spinoza Code

Nieuwe interpretaties laten het raadsel intact

ABG 58 (2006)  
- ADVERTENTIES -

Looking for Spinoza. Joy, Sorrow and the Feeling Brain
Antonio Damasio
---

Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750
Jonathan Israel
---

Spinoza and Spinozism
Stuart Hampshire
De Academische Boekengids 58, september 2006, pp. 22-23.


Verschillende tijdperken en verschillende disciplines claimen Spinoza als sleutelfiguur of zelfs als grondlegger van hun vak. Een definitieve biografie van de filosoof en lenzenslijper lijkt dan ook steeds minder voorstelbaar.

Eeuwenlang hebben onderzoekers getracht greep te krijgen op de historische Spinoza en zijn precieze bedoelingen. Mede door de afstandelijke en onaangedane stijl van Spinoza’s metafysica proberen zij al vanaf zijn eerste geschriften door te dringen tot zijn mens- en wereldbeeld. In de loop van de geschiedenis zijn er verschillende interpretaties gegeven aan zijn werk en zijn leven. Opvallend is dat bijna al deze (re)constructies rekenschap afleggen van de tijd waarin ze tot stand kwamen. Zo werd Spinoza nog tijdens zijn leven beschouwd als ‘criticaster van het cartesianisme’ en als ‘vernietiger van de judeo-christelijke theologie’. Later, tijdens de romantiek, werd hij omgedoopt tot het toonbeeld van de religieuze gelovige, ‘een mens die dronken is van God’ (Novalis). Het definitieve boek over Spinoza, dat alle andere overbodig maakt, moet dus nog geschreven worden.

Misschien is dat tegelijk de reden waarom Spinoza’s intellectuele nalatenschap ook nu nog onverminderd de pennen in beweging brengt. Als we een vluchtige blik werpen op enkele recente studies, dan valt meteen de rijke schakering aan uiteenlopende interpretaties op: volgens de Britse historicus Jonathan Israel was Spinoza een van de sleutelfiguren van de Europese verlichting; Herman De Dijn, internationaal erkend specialist in Spinoza’s filosofie, redeneert dat de verlichtingsdenkers zich ten onrechte als Spinoza’s erfgenaam hebben opgeworpen; gerenommeerd Spinozakenner Wim Klever beklemtoont juist de complementariteit van Spinoza’s profiel; en de onlangs overleden Oxfordfilosoof Stuart Hampshire werpt in zijn laatste boek de nogal eigenzinnige stelling op dat Spinoza als voorloper kan gelden van de moderne biologie.

Baruch Despinoza, of, zoals hij zichzelf later noemde, Benedictus de Spinoza, werd in 1632 geboren te Amsterdam in een joodse handelaarsfamilie. Als bijzonder begaafd kind leek Spinoza voorbestemd zijn leven ‘in dienst van de Leer’ te stellen en rabbijn te worden. Al op jonge leeftijd bestudeerde hij de Heilige Schrift, het werk van de joodse theoloog Maimonides (1135-1204), en zodra hij het Latijn beheerste ook de middeleeuwse scholastiek, de Grieken en de nieuwe filosofie van Descartes.

‘HET DEFINITIEVE BOEK OVER SPINOZA, DAT ALLE ANDERE OVERBODIG MAAKT, MOET NOG GESCHREVEN WORDEN.’

Maar bij het uitstippelen van de weg voor de jonge Spinoza had men geen rekening gehouden met zijn onafhankelijke en kritische geest. Het duurde dan ook niet lang voordat zijn geloofsgenoten hem verketterden en uit de gemeenschap verstootten. Typerend voor Spinoza is dat zijn teruggetrokken en bescheiden bestaan een rijk geestelijk leven niet in de weg stond. Zoals bekend voorzag hij in zijn levensonderhoud met het slijpen van lenzen. Daarnaast legde hij zich met grote discipline toe op zijn grootste passie en talent, de wijsbegeerte. In alle rust en stilte werkte hij aan een oeuvre zoals we dat maar zelden tegenkomen in de geschiedenis van de filosofie.

De meeste van zijn boeken, waaronder ook zijn meesterwerk de Ethica, zouden pas na zijn dood verschijnen. Spinoza besefte dat de manier waarop hij eeuwenoude religieuze denkbeelden op de korrel nam hem in moeilijkheden zou brengen. Daarom verzocht hij zijn vrienden om na zijn dood zijn boeken uit te geven, wat dan ook gebeurde, kort nadat hij op 44-jarige leeftijd was overleden aan longtuberculose. Hoewel zijn invloed zich niet meteen na zijn dood deed gelden, zou Spinoza uitgroeien tot een van de allergrootste denkers uit onze westerse culturele geschiedenis.

In zijn indrukwekkende studie Radical Enlightenment probeert Jonathan Israel de gedachte over te brengen dat Spinoza een van de meest centrale figuren was van de verlichting, een beweging die beschouwd moet worden als een van de belangrijkste veranderingen in onze culturele geschiedenis. Israel toont op overtuigende wijze aan dat men bij het bestuderen van deze periode tot nu toe onvoldoende rekening heeft gehouden met de daaraan voorafgaande zeventiende-eeuwse radicale onderstroom. Volgens hem is deze onderstroom geen randverschijnsel, maar juist een integraal en vitaal onderdeel binnen het geheel. Opmerkelijk is dat Israel daarbij een prominente plaats toekent aan Spinoza. Hij gaat zelfs zover te beweren dat Spinoza de intellectuele ruggengraat vormde van de Europese radicale verlichting. Zijn centrale rol zou er dan vooral in bestaan hebben de hoofdelementen van het vroegere ‘atheïstisch’ denken samen te brengen in één samenhangend stelsel, aangevuld met zijn eigen revolutionaire leer van de ene substantie.

Spinoza’s uitgangspunt was dat de totale werkelijkheid – die hij gelijkstelde aan God – slechts uit één substantie bestaat, waardoor alle verschijningsvormen aan dezelfde regels beantwoorden. Dus ook zoiets ongrijpbaars en amorfs als de menselijke geest is volgens Spinoza slechts een facet van één en dezelfde niet-miraculeuze substantie. Daarmee raakt zijn metafysica aan het kernprobleem van de cartesiaanse filosofie, namelijk de verhouding tussen geest en materie. Spinoza verwierp het ‘cartesiaanse dualisme’ en poneerde een meer eenduidige analyse van de ons omringende, steeds aanwezige realiteit waarvan wij onlosmakelijk deel uitmaken.

Het is niet moeilijk in te zien dat deze nieuwe inzichten hebben geleid tot de ontkenning van diepverankerde religieuze denkbeelden, zoals de onsterfelijkheid van de ziel, de goddelijke voorzienigheid en een God die beloont en straft. Spinoza koppelde de filosofie op die manier los van alle religieuze conventies en plaatste haar onder de aegis van het nieuwe fysicalistische wereldbeeld. En hoewel de meesten van zijn intellectuele tijdgenoten bijgeloof, magie en alchemie als onzin gingen beschouwen, streefden velen naar een verzoening van hun nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen met de centrale christelijke leerstellingen.

Volgens Israel was het deze compromisloze houding van Spinoza die de gedachtesprong mogelijk maakte uit de knellende greep van de vroegere scholastiek en dogmatiek van het geloof. Maar voor de meeste mensen uit die tijd was deze ‘gedachtesprong’ een te grote uitdaging om hem gemakkelijk te kunnen aanvaarden. Spinoza werd dan ook tijdens zijn leven vurig bestreden als de meest verderfelijke en gevaarlijkste denker van zijn tijd. Ook na zijn dood rustte er geen zegen op zijn werk.

De historische analyse van Israel maakt een einde aan de wijdverspreide opvatting dat Spinoza, hoewel vernieuwend, een vertegenwoordiger was van de scholastieke middeleeuwen. Volgens deze opvatting geldt hij voornamelijk als de laatste hoeder van de middeleeuwse wereld. Hij zou dan vooral onder invloed hebben gestaan van de geschriften van Moses Maimonides en de Arabische filosoof Averroës. Voor Israel daarentegen is Spinoza cruciaal en onontkoombaar voor een goed inzicht in het gedachtegoed van de verlichting. In dat verband toonde Wim Klever in verschillende studies aan dat de kopstukken van de achttiende-eeuwse verlichting schatplichtig waren aan Spinoza. Dat geldt met name voor John Locke, David Hume, Montesquieu, Voltaire en Dennis Diderot. Samengevat komt het er bij Israel op neer het beeld van Spinoza als ‘hoeder van de middeleeuwse wereld’ te vervangen door dat van ‘radicale verlichtingsdenker’.

‘ISRAEL GAAT ZELFS ZOVER TE BEWEREN DAT SPINOZA DE INTELLECTUELE RUGGENGRAAT VORMDE VAN DE EUROPESE RADICALE VERLICHTING.’

Een andere geleerde die ervan overtuigd is dat Spinoza de poort naar de moderne tijd heeft geopend, is de onlangs overleden filosoof Sir Stuart Newton Hampshire. Hampshire stond bekend als een voorzichtig, betrouwbaar en nauwgezet denker met een uitstekende pen. Dit blijkt onder meer uit zijn succesvolle boek Spinoza (1951), het eerste deel in een Penguinreeks dat de aandacht van moderne analytische filosofen moest vestigen op de grote filosofen uit het verleden. Spinoza was een bestseller; in drie maanden tijd werden 45.000 exemplaren verkocht.

Hampshire was erin geslaagd behoorlijk complexe zaken even toegankelijk als boeiend te beschrijven. De gebruikelijke en bijna obligate verontschuldigingen die we in veel andere inleidingen aantreffen – dat men er binnen het beperkte bestek van het boek niet in is geslaagd Spinoza’s metafysica volledig toegankelijk te maken – ontbreken, geheel terecht, bij Hampshire. Ondanks de bescheiden omvang van het boek (235 pagina’s) krijgt de aandachtige lezer een goed beeld van het geweldige bouwwerk van Spinoza’s denken.

Toch was het succes van Spinoza niet geheel onverdeeld. De kritiek kwam voornamelijk uit twee hoeken. De analytische filosofen en logisch positivisten vormden – niet zo verwonderlijk – de eerste groep critici. Hun minachting voor de metafysica van Spinoza was vooral het gevolg van hun wetenschapsfilosofische grondhouding. Waarom zouden zij zich nog met een eigenzinnig rationalist als Spinoza bezighouden in een tijd waarin het belang van de empirie in de wetenschapsbeoefening onbetwist erkend werd? Een tweede punt van kritiek kwam van een prominente historicus van het joodse denken, Harry Wolfson (1887-1974). Hij vond dat Hampshire een nogal ‘traditionele’ interpretatie had gegeven aan Spinoza – Spinoza als de rationalist die meende dat men de geest van God kon leren kennen door de wetten van de natuur te bestuderen.

Wolfson had de Spinozavorsers in die tijd geconfronteerd met het volgende dilemma: moet Spinoza beschouwd worden als Baruch of als Benedictus? Spinoza als Baruch interpreteren – Baruch is Spinoza’s Hebreeuwse familienaam – betekent dat we hem hoofdzakelijk zien als een middeleeuwse denker. Wanneer we hem daarentegen interpreteren als Benedictus, zijn Latijnse naam, dan moeten we hem net als Descartes en Leibniz zien als een van de grondleggers van de moderne wijsbegeerte. Wolfson meende dat Spinoza’s identiteit samenvalt met Baruch én met Benedictus.

Hampshire was het daarmee oneens. Volgens hem was Spinoza noch Baruch noch Benedictus, maar een nieuw soort ultramodern denker die met zijn revolutionaire mens- en wereldbeeld intuïtief anticipeerde op de moderne denkbeelden uit de biologie. Hampshire verweet zichzelf dat hij met Spinoza een belangrijke methodologische fout had gemaakt waardoor Wolfson hem verkeerd had begrepen: hij had zich te veel gebaseerd op de letterlijke en klassieke interpretatie van de Ethica. Ontevredenheid en de groeiende overtuiging dat Spinoza zijn woorden bewust had versluierd in een ontoegankelijke stijl – Spinoza kon het zich volgens Hampshire niet veroorloven om te midden van de beroeringen van zijn tijd onmiddellijk begrepen te worden – deden hem teruggrijpen naar zijn pen. Ditmaal zou hij de uiterst formele en pedante bewoordingen van Spinoza in een moderner idioom proberen om te zetten.

Maar het manuscript waaraan Hampshire de laatste jaren van zijn leven had gewerkt, bleek helaas onvoldoende voor een op zichzelf staande publicatie. Zijn vrienden raadden hem aan zijn boek van 1951 opnieuw uit te geven met een nieuwe introductie. Spinoza and Spinozism is uiteindelijk een bundeling geworden van alles wat Hampshire ooit over Spinoza op papier heeft gezet: zijn boek van 1951 (dat in de loop der jaren enkele wijzigingen onderging), een bij de uitgave van 1987 verschenen essay, een artikel dat hij in 1962 had gepubliceerd over de idee van vrijheid bij Spinoza en ten slotte zijn laatste essay ‘Spinoza and Spinozism’, tevens de titel van het boek.

‘SPINOZA’S UITGANGSPUNT WAS DAT DE TOTALE WERKELIJKHEID – DIE HIJ GELIJKSTELDE AAN GOD – SLECHTS UIT ÉÉN SUBSTANTIE BESTAAT, WAARDOOR ALLE VERSCHIJNINGSVORMEN AAN DEZELFDE REGELS BEANTWOORDEN.’

De centrale opvatting die als een rode draad door het boek heen loopt is Hampshires overtuiging dat Spinoza’s metafysica een frappante overeenkomst vertoont met de evolutionaire biologie, de neurobiologie en de moleculaire biologie. Vooral in het essay ‘Spinoza and Spinozism’ argumenteert Hampshire dat Spinoza zou hebben aangevoeld dat naast de zuiver mechanische en mathematische beschrijving van de natuur nog een andere – subtielere – beschrijving vereist was om te kunnen verklaren waarom de dingen zijn zoals ze zijn.

Volgens Hampshire zou Spinoza zijn intuïtieve moderne biologische opvattingen hebben samengevat in zijn uitspraken over de conatus. Onder deze term moeten we de impuls tot zelfbehoud verstaan. Dit is de gedachte dat elk levend wezen onbewust niets anders kan dan streven naar volharding in zijn bestaan en hierbij onvermijdelijk te maken krijgt met andere wezens en zijn omgeving. Dus, zo veronderstelt Hampshire, als nuchter en scherpzinnig waarnemer moet Spinoza zeker hebben opgemerkt dat de natuur bestaat uit myriaden patronen van zelfbehoud en zelfbescherming – een natuurwet die centraal zou komen te staan in de evolutietheorie van Darwin.

Voor deze nogal gewaagde stelling was Hampshire in hoge mate schatplichtig aan de Amerikaanse neurobioloog Antonio Damasio, wiens invloed hij in zijn boek overigens uitdrukkelijk erkent. Damasio schreef enkele jaren eerder Looking for Spinoza. Joy, Sorrow and the Feeling Brain (2003), in het Nederlands vertaald naar de veelzeggende titel Spinoza had gelijk (2003). Damasio concentreert zich op de lichamelijke herkomst van onze emoties en het verband tussen lichaam en geest. Op grond van zijn innovatieve onderzoek naar de neurobiologische basis van het menselijk brein stelt hij vast dat Spinoza’s conatus verrassend congruent is met de moderne neurologie. Onder ‘conatus’ verstaat Damasio dan het geheel van disposities in het schakelsysteem van de hersenen dat zowel naar overleven als naar welbevinden streeft. Maar terwijl Damasio zich hierover voorzichtig uitspreekt, merken we bij Hampshire een meer zelfverzekerde toon.

Interessant aan Hampshires interpretatie van Spinoza is dat hij het suprarationalisme van de filosoof – waarvan de geschiedenis slechts enkele voorbeelden kent – naar waarde weet te schatten. Spinoza mag zichzelf dan wel beschouwd hebben als ‘spreekbuis van de Zuivere rede’ – volgens Hume en Kant de bron van alle speculatieve vergissingen van de metafysica – het moderne karakter van zijn denken dwingt respect af. In welke mate moderne wetenschappelijke denkbeelden uit de biologie inderdaad hun oorsprong zouden vinden in het werk van Spinoza valt natuurlijk te betwijfelen. Eén ding lijkt zeker: bij Hampshire merken we misschien een overschatting en ophemeling van Spinoza als wetenschapper, maar het beeld van Spinoza als ‘de meest metafysische denker van zijn tijd’ lijkt een mateloze onderschatting van de actualiteit van zijn werk.

Om een kritisch oordeel te kunnen vormen over de betekenis van Spinoza is het van groot belang zich af te vragen in hoeverre deze nieuwe ideeën niet opnieuw maskers zijn die men van buitenaf en onder invloed van een bepaalde tijd aan hem probeert toe te kennen. Het beste antwoord op deze vraag is misschien wel de opmerking van de Amerikaanse schrijver Louis Menand: ‘It is true that things aren’t always what they seem, but what they seem is always part of what they are.’ Met andere woorden: Israels en Hampshires interpretaties van Spinoza kunnen het best opgevat worden als beelden die zo dicht mogelijk proberen aan te leunen bij wat zich toont. En natuurlijk is de visie van Israel beter verdedigbaar en geloofwaardiger dan die van Hampshire, maar dit sluit niet uit dat ook Hampshire een bepaald aspect van Spinoza’s denken belicht.

Daarom is het beter om, in plaats van Spinoza onder één noemer te willen brengen, te spreken over de complementariteit van zijn profiel. Wim Klever, die in zijn meest recente boek Spinoza classicus de klassieke invloeden op Spinoza onderzoekt, onderscheidt bijvoorbeeld drie profielen: ‘Spinoza Iberico-Judaeus’, ‘Spinoza Cartesianus reformatus’ en ‘Spinoza Affinianus’. Als we de historische Spinoza beter willen leren kennen, komt het er dus voornamelijk op aan het juiste evenwicht te vinden in de verschillende beelden die van hem zijn ontstaan. Wie denkt Spinoza volledig te kunnen doorgronden door hem in de dwangbuis van één beeld te persen, kent hem slechts gedeeltelijk.


Chams Eddine Zaougui studeerde arabistiek en filosofie aan de Universiteit van Gent.


Besproken boeken:
Looking for Spinoza. Joy, Sorrow and the Feeling Brain
door Antonio Damasio
Harcourt Brace. New York 2003.
352 pag.
, € 17,90
Radical Enlightenment. Philosophy and the Making of Modernity 1650-1750
door Jonathan Israel
Oxford University Press. New York 2002.
832 pag.
, € 33,90
Spinoza and Spinozism
door Stuart Hampshire
Oxford University Press. New York 2005.
240 pag.
, € 27,45



Literatuur:
- H. De Dijn (1999). Uitgelezen Spinoza. Lannoo: Tielt.
- S. Hampshire (1951). Spinoza. Harmondsworth: Penguin Books.
- S. Hampshire (1956). The Age of Reason. The 17th Century Philosophers. New York: Mentor Books.
- W. Klever (1997). Mannen rond Spinoza (1650-1700). Hilversum: Verloren.
- W. Klever (2005). Spinoza classicus. Budel: Uitgeverij Damon.
- R. Scruton (1986). Spinoza. Oxford: Oxford University Press.
- B. Spinoza (2002). Ethica. Amsterdam: Prometheus/Bert Bakker.
- F.D.A. Vleeskens et al. (1977). Spinoza. Kernmomenten in zijn denken. Baarn: Het Wereldvenster.
- Th. de Vries (1991). Spinoza. Beeldenstormer en wereldbouwer. Baarn: De Prom.