Sijbolt Noorda
Van de redactie
---
Henkjan Honing
Muziek is geen luxe
...maar wat dan wel?
---
Chams Eddine Zaougui
De godfather van de radicale islam
De bijzondere evolutie van Sayyid Qutbs denken
---
Manuel Aalbers
Dat staat als een huis!
De crisis op de Amerikaanse woningmarkt
---
Xander Tielens
We are stardust
Van cosmochemie via astrochemie naar astrobiologie
---
Wiel Kusters
IN MEMORIAM FRATRIS
Gedicht
---
Geertje Dekkers
Kijken in het binnenste van rode reuzen
---
Edo Nieweg
Syndroom of ‘moeder waarom leven wij’?
Over het concept psychiatrische stoornis
---
Douwe Draaisma
It’s alright, I’m a doctor
Grensoverschrijding in de wetenschap
---
Frank Miedema
Iedereen kan expert worden!


Henkjan Honing

Muziek is geen luxe

...maar wat dan wel?

ABG 88 (2011)  
- ADVERTENTIES -

THE MUSIC INSTINCT
HOW MUSIC WORKS AND WHY WE CAN’T DO WITHOUT IT
Philip Ball
Het aantonen van het belang van muziek lijkt actueler dan ooit. Philip Ball schreef een wervend boek dat gelezen kan worden als een kritiek op Steven Pinkers beruchte karakterisering van muziek als een, evolutionair gezien, betekenisloos verschijnsel.

De titel van het nieuwste, veertiende boek van wetenschapsjournalist Philip Ball laat er geen twijfel over bestaan: dit is een tegenaanval op de uitspraken die Steven Pinker deed in zijn boeken The Language Instinct (1994) en How the Mind Works (1997). Pinker karakteriseerde muziek als ‘auditieve kwarktaart’: een smaakvol extraatje dat vanuit evolutionair oogpunt gezien moest worden als slechts een bijproduct van veel belangrijker mentale functies, zoals taal (‘music could vanish from our species and the rest of our lifestyle would be virtually unchanged’). Ook kunst moest het in deze boeken vaak ontgelden als een biologisch gezien irrelevant verschijnsel, dat gebruikmaakt van functies die wel evolutionair adaptief genoemd kunnen worden, zoals het ervaren van genot. Het was een provocatie die vijftien jaar na dato nog steeds naklinkt: het aantal boeken dat sindsdien verscheen met verwijzingen naar Pinker zijn niet meer op een hand te tellen (denk aan The Art Instinct, The Belief Instinct of The Pleasure Instinct). En nu is er dan, niet geheel onverwacht, The Music Instinct. De ambitie mag duidelijk zijn.

‘IN DIE VISIE FUNGEERT MUZIEK ALS EEN SEXY BOS VEREN: NIET ONTWIKKELD ALS EEN ADAPTATIE OM TE OVERLEVEN, MAAR EEN AANPASSING OM INDRUK TE MAKEN OP POTENTIËLE PARTNERS.’

Het boek opent dan ook met een discussie over het belang van muziek, de mogelijke rol van muziek in de evolutie en de stelling dat muziek geen luxe is. Het is een actuele discussie, die momenteel in verschillende wetenschappelijke tijdschriften (zoals Current Biology en Nature Neuroscience) en op symposia (zoals de Nijmegen Lectures) gevoerd wordt.
Er zijn op z’n minst drie stromingen te ontdekken in de wetenschappelijke zoektocht naar een mogelijk evolutionaire rol van muziek. De eerste stroming blijft, ondanks Pinkers kritiek, zoeken naar bewijs dat muziek wel degelijk een adaptatie is. Al wordt het wetenschappelijk bestuderen van de evolutie van (muziek)cognitie door sommigen als schier onmogelijk gezien, gedoemd om een mooi verhaal te blijven, ontwikkelen diverse onderzoekers op dit moment strategieën om de cognitieve en biologische rol van muzikaliteit empirisch te onderbouwen. Met name Darwins suggestie dat seksuele selectie een rol gespeeld zou moeten hebben in het ontstaan van muziek vindt veel weerklank. In die visie fungeert muziek als een sexy bos veren: niet ontwikkeld als een adaptatie om te overleven, maar een aanpassing om indruk te maken op potentiële partners. Het is een idee dat door Geoffrey Miller is uitgewerkt in zijn boek The Mating Mind, waarin muziek figureert als een van de vele effectieve manieren waarop mensen indruk proberen te maken op hun soortgenoten.
Maar er zijn binnen deze stroming ook alternatieven, zoals het duiden van muziek als een spel met onze cognitieve functies, een spel dat een evolutionair voordeel oplevert. Het is een visie die muzikaliteit niet opvat als een resultaat van natuurlijke selectie, een adaptatie, maar als een exaptieve eigenschap: een eigenschap die is opgeborreld zonder dat er speciaal op geselecteerd is. Eenmaal aanwezig is ze door natuurlijke (of seksuele) selectie verder geperfectioneerd, en als zodanig doorgegeven aan de volgende generaties.
Een tweede stroming zoekt het in een secundaire, want indirecte rol van muziek in de evolutie, namelijk als hulpmiddel bij het versterken van de sociale cohesie van de groep. Daarin wordt muziek gezien als ‘sociale lijm’ die de groep bij elkaar houdt, samenwerking bevordert en aldus het groepsgevoel versterkt. Daarnaast zou muziek als ‘taal van de emotie’ een cruciale rol spelen bij de van levensbelang zijnde ‘bonding’ tussen ouder en pasgeboren kind, en wordt zij vaak in verband gebracht met het muzikale taaltje (infant-directed speech) dat ouders met pasgeboren baby’s spreken. Kortom: muziek versterkt de sociale en emotionele banden van de groep en is daarop evolutionair geselecteerd.
Een derde stroming duidt muziek als een ‘transformatieve uitvinding’: een vaardigheid of functie die niet adaptief is maar een grote invloed heeft (gehad) op zowel onze biologie als onze cultuur. Het idee van ‘muziek als uitvinding’ is te vergelijken met de onomkeerbare invloed die het maken van vuur op bijvoorbeeld ons eetgedrag en onze cultuur heeft gehad, zoals Richard Wrangham recentelijk betoogde in zijn boek Koken – Over de oorsprong van de mens. In met name de recente neurocognitieve literatuur valt steeds meer onderbouwing te vinden voor de stelling dat muziek van grote invloed is op ons gedrag en onze hersenen en deze zelfs kan veranderen.

‘MAAR ER IS EEN GROOT VERSCHIL TUSSEN HOREN EN LUISTEREN. ZOALS BALL TERECHT STELT: “MUSIC IS NOT A SERIES OF ACOUSTIC FACTS, IN FACT IT IS NOT ACOUSTIC AT ALL”.’

Ball neemt in zijn boek echter een alternatieve positie in, die feitelijk de hele discussie tot een non-issue verklaart: muziek is er gewoon (‘It might be genetically hard-wired, or it might not. Either way, we can’t suppress it, let alone meaningfully talk of taking it away’). Dat is jammer, en in het licht van de titel van het boek een vreemde strategie. Er valt namelijk wel degelijk iets over de andere posities te zeggen zonder ze als een irrelevante visie weg te zetten.
Om een concreet voorbeeld te geven: er is een groeiende literatuur over de effecten van muziek maken en muziek luisteren op de ontwikkeling en plasticiteit van de hersenen, en over de intieme relatie die muziek heeft met de dieper gelegen, evolutionair oudere hersengedeelten die betrokken zijn bij het geheugen en onze emoties. Dat onderzoek komt in Balls boek nauwelijks aan de orde. Hij beperkt zich in het negende hoofdstuk tot enkele pagina’s met wat snelle opmerkingen in de trant van ‘when we listen to music all the lights are apt to come at once – pretty much the whole brain may become active’, een knipoog naar de oplichtende kleurtjes in de hersenscans die menig neurowetenschappelijk artikel sieren.
De discussie over muziek en evolutie komt eigenlijk alleen in het begin van het boek ter sprake. Het heeft er dan ook alle schijn van dat het openingshoofdstuk en de titel van het boek pas in een laat stadium zijn toegevoegd. Het boek belooft wat dat betreft te veel. Balls oorspronkelijke werktitel, How the Mind Makes Music, dekte de lading veel beter.

‘BALL VERDEDIGT MET VERVE EEN AANTAL ZEER HELDERE THESES, WAARONDER DE STELLING DAT MUZIEK IETS ANDERS IS DAN SIMPELWEG GELUID, DAT MUZIEK ESSENTIEEL VERSCHILT VAN TAAL EN DAT MUZIKALITEIT VEEL WIJDER VERSPREID IS DAN VEELAL GEDACHT.’

En aansluitend bij die werktitel kan ik niet anders dan het simpelweg roerend eens zijn met Philip Balls interpretatie van de recente literatuur. Het is verrassend hoe een relatieve outsider – Ball schreef tientallen boeken over met name natuurkundige onderwerpen – zo’n goed overzicht van een relatief jong vakgebied als muziekcognitie heeft gekregen.
Ball verdedigt met verve een aantal zeer heldere theses, waaronder de stelling dat muziek iets anders is dan simpelweg geluid (‘Music does not somehow emerge from acoustic physics’), dat muziek essentieel verschilt van taal (‘There is no language of music’) en dat muzikaliteit veel wijder verspreid is dan veelal gedacht (‘Most of us are musical experts without knowing it’). Stuk voor stuk inzichten die nog maar kort geleden van substantiële empirische onderbouwing zijn voorzien, en die een alternatieve kijk geven op het oudere, veelal psychofysisch georiënteerde muziekpsychologische onderzoek.
Maar ondanks dat Ball erin is geslaagd enkele van de belangrijkste inzichten uit de recente vakliteratuur te destilleren, komt het gros van zijn voorbeelden uit de literatuur van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, toen de impact van de (neuro)cognitiewetenschappen nog maar beperkt was.
Blader maar eens door boeken over muziekpsychologie uit die periode. Grote kans dat ze openen met een hoofdstuk over akoestiek, met grafieken van sinustonen en pythagorese snaarverdelingen. Maar ook een diagram met de anatomie van het oor zal niet ontbreken. Deze boeken suggereren dat de fysieke eigenschappen van geluid (en van het horen) fundamenteel zijn voor het begrijpen van muziek en de luisterervaring. Maar er is een groot verschil tussen horen en luisteren. Zoals Ball terecht stelt: ‘music is not a series of acoustic facts, in fact it is not acoustic at all’. Akoestiek en hoorfysiologie hebben niet zoveel met muziek te maken, in de zin dat ze veel minder invloed blijken te hebben op de wijze waarop muziek gehoord, beleefd en gemaakt wordt dan vaak wordt gedacht.
Desondanks gebruikt Ball tientallen pagina’s om de geluidsleer van Pythagoras tot Helmholtz nog eens door te nemen. Dit is een begrijpelijke insteek voor een natuurkundige, maar daarmee houdt hij vast aan de illusie dat muziek meetbaar in het geluidssignaal zelf zit, iets wat Ball eerder in het boek nu juist zo helder weerlegt.
Bovendien heeft de benadering van muziek als een natuur- en wiskundig verschijnsel soms de neiging om naast geluidsleer een soort getallenleer te worden. Alsof harmonische, mooie of ‘juiste’ muziek door de natuur bepaald wordt. Er klinkt iets in terug van het, in steeds wisselende gedaantes terugkerende Oudgriekse idee van een ‘harmonie der sferen’, het idee dat de wiskundige structuur van muziek iets zou kunnen onthullen over de natuur zelf. Of omgekeerd: dat een elegante formule die de code van de muziek van vermaarde componisten weet te kraken en de onderliggende getallenstructuur ervan blootlegt, ons kan laten zien hoe mooi, hoe ‘natuurlijk’ die muziek is. Maar al Pythagoras’ ideeën over consonantie in termen van heeltallige ratio’s ten spijt: een hedendaagse, zorgvuldig maar allesbehalve heeltallig gestemde piano wordt door opvallend weinig mensen als ‘vals’ ervaren. Het is de eeuwenoude tegenstelling tussen muziek opgevat als getal en muziek als empirisch feit (cf. Pythagoras versus Aristoxenus). Of, zoals Ball mijns inziens terecht claimt: muziek huist niet in het geluid of in het getal, maar in het hoofd van de luisteraar (‘music is made in the mind’). Het is een idee waar ook eigentijdse wetenschapshistorici maar moeilijk aan kunnen wennen.
Een andere observatie die Ball maakt, is dat de verschillen tussen musici en niet-musici in het luisteren naar muziek minder groot zijn dan vaak gedacht wordt. Hier is inderdaad de laatste jaren veel onderzoek naar gedaan en er valt veel over te zeggen. Maar helaas gebruikt Ball deze literatuur slechts af en toe in zijn boek. In die zin weerspiegelt The Music Instinct meer de veelal psychofysisch georiënteerde literatuur dan de neurocognitieve benadering van de laatste tien jaar. Andere publieksboeken over dit onderwerp, zoals This Is Your Brain on Music van neuropsycholoog Dan Levitin, Musicophilia van neuroloog Oliver Sacks of Guitar Zero van ontwikkelingspsycholoog Gary Marcus, doen wat dat betreft beter recht aan de recente ontwikkelingen en inzichten uit de cognitiewetenschappen en wat deze over het belang van muziek kunnen vertellen.
Maar over het geheel genomen is The Music Instinct een wervend boek. Ball heeft duidelijk een grote liefde voor muziek, en dat klinkt door in zijn gedetailleerde en vaak persoonlijke beschrijvingen van de vele muziekvoorbeelden uit met name het klassieke repertoire. Het blijft echter jammer dat hij zo’n nadruk legt op de eerste helft van de ondertitel van het boek, de architectuur en de werking van muziek, met veel aandacht voor met name de muziektheoretische aspecten van muziek. Wat betreft de tweede helft van de ondertitel, het biologische belang van muziek en waarom we niet zonder kunnen, blijft Ball helaas achter bij wat daar inmiddels over te zeggen valt.



Henkjan Honing is als KNAW-Muller hoogleraar muziekcognitie verbonden aan de capaciteitsgroep muziekwetenschap, het Institute for Logic, Language and Computation en het Cognitive Science Center Amsterdam van de Universiteit van Amsterdam.


Besproken boeken:
THE MUSIC INSTINCT - HOW MUSIC WORKS AND WHY WE CAN’T DO WITHOUT IT
door Philip Ball
Random House. London 2010.
464 pag.
, € 14,50



Literatuur:

  • H. F. Cohen. How Modern Science Came into the World. Amsterdam University Press. Amsterdam 2010.

  • H. Honing. Musical Cognition. A Science of Listening. Transaction Publishers. New Brunswick 2011.

  • D. J. Levitin. This Is Your Brain on Music: The Science of a Human Obsession. Dutton. New York 2006.

  • G. Marcus. Guitar Zero. Penguin. New York 2012 (verschijnt deze winter).

  • G. F. Miller. The Mating Mind: How Sexual Choice Shaped the Evolution of Human Nature. Vintage. London 2001.

  • S. Pinker. The Language Instinct. Morrow. New York 1994.

  • S. Pinker. How the Mind Works. Norton. New York 1997.

  • O. Sacks. Musicophilia: Tales of Music and the Brain. Vintage Books. New York 2008.

  • R. W. Wrangham. Catching Fire: How Cooking Made us Human. Basic Books. New York 2009.