Sijbolt Noorda
Redactioneel
---
Frans van Lunteren
De geboorte van het genie
---
Shortlist ABG VN ESSAYPRIJS
---
Piet van der Kruit
Dan zouden we het toch gehoord hebben
De mogelijkheid van buitenaards intelligent leven
---
Chams Eddine Zaougui
In de ban van de jihad
---
Hans Bennis
Noam Chomsky en de Franse intellectuelen
Wetenschappelijk debat stuit op wederzijds onbegrip
---
Geertje Dekkers
De oorlog tussen schimmel en plant
Hoe beide partijen zich wapenen tegen elkaars afweersysteem
---
Nachoem M. Wijnberg
ALS IK STORM WAS
Gedicht
---
Jaco Zuijderduijn
De wereld die niet verging
---
Jaap Goudsmit
China’s versterking van de banden met Afrika
Het natuurlijke einde van westerse ontwikkelingshulp?


Chams Eddine Zaougui

In de ban van de jihad

Saoedi-Arabië, ingeklemd tussen religieus fundamentalisme en moderniteit

ABG 84 (2010)  
 

INSIDE THE KINGDOM
KINGS, CLERICS, MODERNISTS, TERRORISTS AND THE STRUGGLE FOR SAUDI ARABIA
ROBERT LACEY
---

JIHAD IN SAUDI ARABIA
VIOLENCE AND PAN-ISLAMISM SINCE 1979
THOMAS HEGGHAMMER
Bij Saoedi-Arabië denken we vooral aan oliemagnaten in glimmende sportwagens. Maar achter die façade schuilt een puriteins islamitisch koninkrijk dat worstelt met de moderniteit en dat een broeihaard is van moslimfundamentalisme.

In het Westen is over Saoedi-Arabië niet veel bekend. Clichés en superlatieven gebaseerd op snippers actualiteit en populaire Hollywoodfilms domineren onze gedachtevorming. Het bekendste beeld is ongetwijfeld dat van de verkwistende nouveau riche-Arabier, de ‘Gucci-bedoein’ met een jacht in Monaco, een buitenverblijf in Marbella en een garage vol exclusieve sportwagens in Jedda.

Maar zoals wel vaker met platitudes het geval is, gaat het hier om een minderheid. De meeste Saoedi’s zijn niet rijk en behoren niet tot de olie-elite. Toch bevat het cliché van de superrijke Saoedi een belangrijke waarheid: Saoedi-Arabië wordt nog steeds, sinds zijn ontstaan in 1932, geregeerd door machtige prinsen die het land en zijn fabelachtige olierijkdommen als privébezit beschouwen. Het Amerikaanse zakenblad Forbes schat het persoonlijke fortuin van de Saoedische monarch Abdullah bin Abdul Aziz op achttien miljard dollar. Dat maakt hem, na de Thaise koning Bhumibol en Sheik Khalifa bin Zayed Al Nahyan van de Verenigde Arabische Emiraten, tot de rijkste monarch ter wereld.

Een recenter beeld is dat van Saoedi-Arabië als financieel epicentrum en broeihaard van moslimfundamentalisme. Het wahabisme, de meest puriteinse tak van de islam, heeft de Saoedische samenleving van oudsher in een rigide greep. Winkels sluiten verplicht vijfmaal per dag tijdens het gebed, vrouwen gaan volledig gesluierd in een abaya (die alleen de ogen onbedekt laat) en openbare onthoofdingen dienen als disciplinair afschrikmiddel om de toenemende migrantenbevolking in het gareel te houden.

‘DE MEESTE JONGEMANNEN DIE INGINGEN OP DE SIRENENZANG VAN DE BUITENLANDSE JIHAD DEDEN DAT VOOR HET AVONTUUR.’


En dan hebben we het nog niet over de zeer omstreden banden tussen Saoedi-Arabië en het moslimterrorisme: vijftien van de negentien 9/11-kapers kwamen uit Saoedi-Arabië, net zoals de meeste Arabische strijders in Afghanistan en Guantánamo. En Osama bin Laden, de meest notoire terrorist ter wereld en onbetwist leider van Al Qaida, is ook een Saoedi.

Hoe komt het dat Soedi-Arabië, een immens rijk land met de oppervlakte van een klein continent en ongeveer dertig miljoen inwoners, zich zo vereenzelvigd heeft met islamitisch puritanisme en terrorisme? Twee auteurs – de een journalist en schrijver, de ander academicus – verdienen de aandacht van iedereen die hierover meer wil weten. De Brit Robert Lacey verbleef drie jaar in het Saoedische koninkrijk voor het schrijven van Inside the Kingdom, een vervolg op zijn boek The Kingdom (1982), dat inmiddels is uitgegroeid tot een klassieker. De Noorse wetenschapper Thomas Hegghammer maakte uitvoerig gebruik van Arabische primaire bronnen en ging in Saoedi-Arabië praten met voormalige jihadi’s, hun familieleden en vrienden. Jihad in Saudi Arabia is zijn eerste boek – en meteen ook de meest gespecialiseerde studie over dit onderwerp.

Zoals de boektitels aangeven, is Hegghammers aanpak gerichter dan die van Lacey. Waar de laatste vooral oog heeft voor de bredere, maatschappelijke context, gaat Hegghammer direct op zoek naar de wortels van het moslimjihadisme in Saoedi-Arabië. Om die reden is Laceys Inside the Kingdom een ideaal startpunt, zeker voor de geïnteresseerde leek. Een van de hoofdthema’s van het boek, zo niet het centrale thema, is de uiterst problematische verhouding tussen enerzijds de status van het Arabisch Schiereiland als bakermat van de islam en anderzijds de moeilijk in te dammen invloed van het Westen en de moderniteit. Dit spanningsveld, dat sinds de komst van oliewinsten eind jaren zeventig als een onzichtbaar magnetisch veld de Saoedische samenleving doordringt en beïnvloedt, kwam volgens Lacey voor het eerst tot gewelddadige uitbarsting op 20 november 1979.

Die dag werd de grote moskee van Mekka, de heiligste plaats in de islamwereld, gegijzeld. Kort voor de oproep tot het ochtendgebed waren enkele honderden mannen en vrouwen het heiligdom binnengestroomd met doodskisten, zogezegd om een afscheidsgebed op te zeggen voor de overledenen. In werkelijkheid waren de kisten gevuld met pistolen, geweren, kalasjnikovs en munitie. Nog voor het ochtendgebed kon beginnen, duwde Juhayman Oteibi, de leider van de bende, de imam opzij en greep de microfoon. Geweerschoten echoden in de lucht. Vanaf de preekstoel verklaarde Juhayman dat, zoals aan hem was geopenbaard in een droom, een nieuwe Messias was opgestaan: Mohammed al-Qahtani. Deze zou van het koninkrijk weer een perfecte islamitische staat maken door de gecorrumpeerde machthebbers af te zetten en alle banden met het Westen te verbreken.

‘IN EEN LAND WAAR DE BEVOLKING APOLITIEK EN DOCIEL WORDT GEHOUDEN, BIEDT DE KLASSIEKE JIHAD EEN ULTIEME UITLAATKLEP.’

Het koningshuis was perplex, in paniek. Hoe durfde iemand in het heiligste der heiligen, waar zelfs het ontwortelen van een plant is verboden, schaamteloos de machthebbers te verketteren en op te roepen tot burgerlijke ongehoorzaamheid? Twee lange, vernederende weken zou het duren voordat de Saoedische special forces, bijgestaan door Franse commando’s en met gebruik van zenuwgas, de moskee konden heroveren. De overlevende rebellen, die door het gas oncontroleerbaar moesten rillen en onder hun eigen bloed en braaksel zaten, werden aangetroffen in een van de kelders van de moskee. Eindelijk kon het koningshuis zijn woede koelen: de opstandelingen werden naar alle uithoeken van het land verspreid, waar ze op hetzelfde tijdstip werden onthoofd. Het was de grootste executie in de geschiedenis van Saoedi-Arabië.

Wat Lacey het meest verbaast aan dit incident is niet zozeer dat het is gebeurd, maar de houding die het koningshuis achteraf aannam. Je zou denken dat de machthebbers de extreme fundamentalisten en hun middeleeuwse mentaliteit intoomden, maar exact het tegenovergestelde gebeurde. In de naïeve hoop zo zijn religieuze geloofwaardigheid te herstellen en een soort Iraanse revolutie op het schiereiland te vermijden, zorgde het koningshuis via zijn enorme rijkdom ervoor dat het land nog religieuzer werd. Er werden religieuze fondsen opgericht, vooraanstaande geestelijken kregen huizen cadeau en de beruchte religieuze politie (de mabahith) kreeg, samen met haar civiele tegenhanger (de mutawwa), vrij spel om mensen te controleren en te bestraffen. Maar zonder het te beseffen schiep de overheid hiermee een nieuw monster: een samenleving van post-Juhaymans die hun ultraconservatieve regels met een mengeling van intimidatie en geweld aan de rest van de samenleving opdrongen. Lacey schrijft hierover sarcastisch: ‘Eerst liet het Huis van Saoed Juhayman executeren. Nu maken ze zijn programma tot overheidsbeleid.’

Bij Hegghammer komen we over het beruchte geval Juhayman nauwelijks iets te weten. De auteur vermeldt het wel in de inleiding van zijn boek, maar gaat er verder niet op in. Voor wie niet vertrouwd is met de complexe geschiedenis van Saoedi-Arabië of het boek van Lacey niet heeft gelezen, lijkt het daardoor alsof het hier om een historisch fait divers gaat waarmee Hegghammers gedetailleerde onderzoek helemaal niets te maken heeft. Maar dat is slechts schijn: ook uit Jihad in Saudi Arabia blijkt duidelijk dat de leiders van het Huis van Saoed via geld en religie krampachtig proberen hun voortbestaan te verzekeren en hun contacten met het Westen te verdoezelen. Ditmaal met de promotie van geweld in het buitenland.

Op een wat droge manier maar met de rigoureuze precisie van een academisch werk toont Hegghammer aan dat de overheid handig gebruikgemaakt heeft van het islamitische concept van jihad – in de enge betekenis van heilige oorlog – om zichzelf voor te stellen als zuivere en authentieke islamitische leider. Zonder stil te staan bij de mogelijke consequenties van deze drastische legitimatiestrategie, moedigde de overheid de bevolking aan om geloofsgenoten in het buitenland te helpen in hun gewapende strijd tegen ongelovige onderdrukkers. Hegghammer omschrijft dit soort gewelddadig religieus activisme als ‘panislamisme’ of ‘klassieke jihad’. Het is niet moeilijk in te zien dat in een land waar de bevolking apolitiek en dociel wordt gehouden deze specifieke vorm van jihad een ultieme uitlaatklep biedt. Jongemannen die hun religieuze geestdrift wilden bewijzen, konden zich als het ware uitleven in het buitenland. Hegghammer spreekt daarom, niet onterecht, van ‘opium voor het volk’.

‘HET BEKENDSTE BEELD VAN SAOEDI-ARABIË IS ONGETWIJFELD DAT VAN DE “GUCCI-BEDOEIN” MET EEN JACHT IN MONACO, EEN BUITENVERBLIJF IN MARBELLA EN EEN GARAGE VOL EXCLUSIEVE SPORTWAGENS IN JEDDA.’


Het is interessant vast te stellen dat Lacey en Hegghammer dezelfde kanttekeningen maken bij het panislamisme. Beide auteurs beklemtonen dat de meeste jongemannen die ingingen op de sirenenzang van de buitenlandse jihad, dat vooral deden voor het avontuur, om nadien te kunnen opscheppen over hun ervaringen. Lacey spreekt laconiek over ‘vakantie-jihadi’s’, jongeren die tijdens hun schoolvakantie gingen vechten en voor de start van het schooljaar naar huis terugkeerden – in realiteit verbleven de meesten in gekoelde barakken, zonder ooit het oorlogstoneel te betreden. Frappant is ook dat bij de rekrutering van nieuwe jihadi’s empathie met onderdrukte geloofsgenoten en kameraadschap een heel belangrijke rol spelen, meer nog dan haat tegenover het Westen. Deze observatie sluit overigens perfect aan bij de bevindingen van de bekende Amerikaanse terrorisme-expert Marc Sageman, die stelt dat ideologie op de tweede plaats komt bij radicalisering, pas nadat jongeren een intiem verbond hebben gesloten, een broederschap voor het leven.

Een andere zeer verrassende vaststelling – die we alleen tegenkomen bij Hegghammer – is dat het panislamisme sterk verschilt van de omgang van de meeste andere Arabische landen met de jihad. Voor veel Arabische landen is de jihad een revolutionair verschijnsel, een manier om in opstand te komen tegen een goddeloze leider die het volk onderdrukt – denk bijvoorbeeld aan het Front Islamique du Salut (FIS) in Algerije en de Moslimbroederschap in Egypte. In extreme gevallen roepen radicale moslimmilitanten de bevolking zelfs op om de koning of president te vermoorden omdat hij weigert de Heilige Islamitische Wet of sharia in te voeren. Zo is het geen toeval dat de radicale fundamentalist die op 6 oktober 1980 de Egyptische president Anwar al-Sadat doodschoot tijdens een militaire parade achteraf triomfantelijk riep: ‘Ik heb de farao gedood!’. Het is precies dit soort doemscenario dat het Saoedische koningshuis wilde vermijden.

En dat kon ook, door het bestaan van een aantal cruciale randvoorwaarden. De gigantische olie-inkomsten vormen de meest voor de hand liggende reden waarom socio-revolutionair geweld niet aansloeg op het schiereiland. Het adagium van de westerse democratie ‘geen belastingen zonder vertegenwoordiging of sociale voorzieningen’ heeft in Saoedi-Arabië een omgekeerde betekenis: zolang de overheid het zich kan permitteren, koopt ze de gehoorzaamheid van de bevolking af met gratis sociale voorzieningen en door geen belastingen te heffen. Bovendien bleef het koninkrijk socio-revolutionaire onlusten bespaard doordat de ideologie van het panislamisme al aanwezig was in de samenleving, in tegenstelling tot andere moslimlanden. Het enige wat de overheid moest doen, was het fenomeen verder aanzwengelen en momentum geven, totdat het in de jaren tachtig een alledaagse realiteit werd: de obligate krantenberichten over de gruweldaden van de Sovjets in Afghanistan, de collectebussen in scholen en supermarkten en de rekruteringspreken in moskeeën en universiteiten.

‘BIJ DE REKRUTERING VAN NIEUWE JIHADI’S SPEELT EMPATHIE MET ONDERDRUKTE GELOOFSGENOTEN EEN BELANGRIJKERE ROL DAN HAAT TEGENOVER HET WESTEN.’


Toch was ook het panislamisme niet zonder gevaren voor de Saoedische overheid. Beide boeken tonen aan dat de ideologische verzekering die de overheid via de buitenlandse jihad afsloot geen waterdichte bescherming bood tegen gewelddadig protest. De eerste onheilspellende tekenen verschenen al met de terugkeer van de veteranen van hun religieuze tour of duty in Bosnië, Afghanistan of Tsjetsjenië. Veel jongeren hadden moeite om terug in de samenleving te integreren; bij gebrek aan relevante ervaring en door verminderende olie-inkomsten vonden ze geen werk. Ze voelden zich bovendien slecht behandeld door een achterdochtige en ondankbare overheid. De druppel die de emmer voor sommige geharde veteranen deed overlopen, was de hevig bekritiseerde beslissing van het koningshuis om tijdens de Eerste Golfoorlog Amerikaanse troepen toe te laten op het Arabisch Schiereiland. Ze beschouwden dit besluit als een ontheiliging van het Heilige Land van de moslims. Volgens Lacey is toen de internationale terreurorganisatie Al Qaida ontstaan.

Onder leiding van Osama bin Laden, die net als veel andere jongemannen in de jaren tachtig naar Afghanistan was getrokken en naam had gemaakt als fondsenwerver, besloot een geradicaliseerde groep ‘Arabische Afghanen’ het over een andere boeg te gooien. In plaats van onderdrukte moslims in concrete, geografische conflictgebieden te helpen in hun strijd tegen een niet-islamitische bezetter, moest nu een grotere vijand aangepakt worden: de Verenigde Staten en hun handlangers, zoals het Saoedische koningshuis – dat eindelijk zijn ware gezicht had laten zien door het schiereiland bloot te stellen aan decadente westerse invloeden en militaire inmenging. De groep zou een nieuwe, radicale strategie toepassen, die zich niet meer zou beperken tot specifieke militaire slagvelden of doelwitten. Sterker, terroristische aanslagen tegen burgers zouden de core business worden van de nieuwe groepering. De bedoeling was om het Westen in een existentiële strijd te lokken tegen de islamwereld, die zich, zo stelden ze zich voor, als een monolithisch blok achter Al Qaida zou scharen. Maar eerst moest Al Qaida – letterlijk ‘de basis’ – het voorbereidende werk verrichten.

Lacey laat er in zijn analyse geen twijfel over bestaan wie de hoofdverantwoordelijkheid draagt voor deze rampzalige ontwikkeling. Al in het begin van zijn boek waarschuwt hij de nietsvermoedende lezer dat het niet overdreven is te stellen dat ‘zonder de historische prestatie van het Huis van Saoed’ – namelijk de voortdurende pogingen van het schatrijke koningshuis om via religie zijn niet-democratische aanspraak op de troon te legitimeren en te consolideren – ‘de horror van 9/11 de Verenigde Staten nooit was overkomen, omdat Osama’s giftige vijandigheid tegen het Westen alleen in Saoedi-Arabië kon ontstaan. Zijn aanvallen op de Twin Towers waren een manoeuvre in een in wezen Saoedisch gevecht, dat werd uitgevochten met Amerikaanse slachtoffers.’ Volgens Lacey is Al Qaida dan ook een typisch Saoedisch fenomeen; in een land waar de Koran de wet is, waar de religieuze politie het werk verricht van God en waar intolerantie tegenover andersdenkenden is geïnstitutionaliseerd, is religieus terrorisme het logische gevolg.

‘HOE DURFDE IEMAND IN HET HEILIGSTE DER HEILIGEN, WAAR ZELFS HET ONTWORTELEN VAN EEN PLANT IS VERBODEN, SCHAAMTELOOS DE MACHTHEBBERS TE VERKETTEREN?’

Hegghammer ziet dat anders. Voor hem is het terrorisme van Al Qaida een on-Saoedische aberratie. Het land, zo benadrukt hij herhaaldelijk, wordt in de eerste plaats gedreven door een panislamitische agenda. In zijn slothoofdstuk verwijst Hegghammer naar de totaal mislukte pogingen van Al Qaida om, na haar verdrijving uit Afghanistan in 2001, medestanders te vinden op het Arabisch Schiereiland. De gerichte bomaanslagen in Saoedi-Arabië tegen militaire en politiedoelwitten wekten echter bitter weinig sympathie. Meer nog, de vrijgekomen beelden van vermoorde Saoedische moslims waren de laatste nagel aan de doodskist van Al Qaida op het schiereiland. De op zich al beperkte steun voor bin Laden verdween als sneeuw voor de zon. Zoals een Saoedische journalist in Jihad in Saudi Arabia opmerkt: ‘Als Al Qaida zich met 9/11 in de voet schoot, schoot ze zich met de aanslagen in Saoedi-Arabië in het hoofd.’

De waarheid ligt waarschijnlijk ergens in het midden: de grenzeloze promotie van ultrapuriteinse denkbeelden resulteert inderdaad niet automatisch in een beweging als Al Qaida, maar schept wel de randvoorwaarden waaronder zo’n organisatie kan ontstaan. De leiders van het Huis van Saoed zouden dus, paradoxaal genoeg, de rol van religie beter kunnen inperken als ze de macht echt willen bewaren; zolang radicale fundamentalisten de samenleving in een wurggreep houden en jongemannen aanmoedigen om te vechten in Kasjmir, Grozny of Bagdad bestaat de kans dat die jongeren binnen de invloedssfeer getrokken worden van Al Qaida.

Dit brengt meteen een tweede en minstens even belangrijk feit aan het licht: in de strijd tegen het moslimterrorisme is het voor het Westen urgenter iets te doen aan de symbolen van moslimlijden dan om politieke en sociale hervormingen te forceren in de Arabische wereld (Osama bin Laden verwijst in zijn toespraken niet toevallig naar Palestina, een bijzonder tere plek in het Arabische en islamitische bewustzijn). In tijden waar westerse regeringen enorme bedragen neertellen voor terrorismebestrijding en het Saoedische koningshuis zich buigt over de opvolging van de 82-jarige koning Abdullah, lijken dit bijzonder waardevolle lessen.


Chams Eddine Zaougui studeerde arabistiek en filosofie in Gent en Caïro.


Besproken boeken:
INSIDE THE KINGDOM - KINGS, CLERICS, MODERNISTS, TERRORISTS AND THE STRUGGLE FOR SAUDI ARABIA
door ROBERT LACEY
HUTCHINSON. LONDEN 2009.
404 PAG.
, € 16,95
JIHAD IN SAUDI ARABIA - VIOLENCE AND PAN-ISLAMISM SINCE 1979
door THOMAS HEGGHAMMER
CAMBRIDGE UNIVERSITY PRESS. CAMBRIDGE 2010.
290 PAG.
, € 27,95



Literatuur:

  • ‘A Survey of Saudi Arabia. A Long Walk’, The Economist, 5 januari 2006.

  • F. Gerges. ‘Al-Qa’ida Turns Jihad into War by Media’, The Independent, 24 oktober 2005.

  • T. Hegghammer. ‘Jihadi Studies’, The Times Literary Supplement, 2 april 2008.

  • R. Lacey. The Kingdom. Arabia & the House of Sa’ud. Harcourt Brace Jovanovich. New York 1982.

  • B. Lewis. The Crisis of Islam. Holy War and Unholy Terror. Random House. New York 2003.

  • M. Sageman. Understanding Terror Networks. University of Pennsylvania Press. Philadelphia 2004.

  • L. Wright. The Looming Tower. Al-Qaeda’s Road to 9/11. The Penguin Press. Londen/New York 2007.