Thijs Weststeijn
Margaret Cavendish in de Nederlanden
Thijs Weststeijn wint de ABG VN Essay Prijs 2008
---
Ronald Janse
Paardenmiddel of placebo?
Over de export van de rechtsstaat
---
Anton van Hooff
Was Jezus eigenlijk Caesar?
Een les in de pseudowetenschap
---
Frank Miedema
Abstinence, Be faithful, use a Condom
---
Ingmar Heytze
Vreemde handen
Gedicht
---
Herman Lelieveldt
De oorlog tegen overgewicht
Over de opmars van overgewicht als ziekte
---
De keuze van Johan van Benthem
Eva van den Broek
---
Gijsbert van den Brink, Cees Dekker en René van Woudenberg
Dick Swaab heeft een fantasievol brein
Ingezonden brief
---
Marc van Oostendorp
Witte olifant zonder slurf
---
JURYRAPPORT ABG VN ESSAYPRIJS VOOR NIEUW ACADEMISCH SCHRIJFTALENT


Marc van Oostendorp

Witte olifant zonder slurf

In twee recente studies over taalwetenschap zegeviert het menselijke verstand

ABG 67 (2008)  
 

FAR FROM THE MADDING GERUND. AND OTHER DISPATCHES FROM LANGUAGE LOG
Mark Liberman en Geoffrey K. Pullum
---

THE STUFF OF THOUGHT. LANGUAGE AS A WINDOW INTO HUMAN NATURE
Steven Pinker
We worden geboren met een universeel taalgevoel. Een olifant naast een muis zien we altijd links of rechts van die muis. Wat vertelt taal over de manier waarop onze geest in elkaar zit?

Het woord fuck stamt uit de tijd dat seks in Engeland door de koning moest worden goedgekeurd. Mensen die kinderen wilden krijgen, ontvingen van de monarch een bordje dat ze aan de voordeur moesten hangen terwijl ze bezig waren. De tekst op dat bordje: ‘F.U.C.K.’ (Fornication Under Consent of the King – geslachtsgemeenschap met koninklijke toestemming).

Zo’n verhaal is aantrekkelijk, en niet alleen omdat het over een vies woord gaat. Het biedt een historische verklaring voor de oorsprong van dat woord, een etymologie. En dat is een van de populairste soorten wetenswaardigheden over taal: ieder woord heeft een wonderlijke geschiedenis, die misschien wel iets vertelt over wat het ‘eigenlijk’ betekent. Maar het verhaal heeft in dit geval ook een problematische kant, althans als serieuze verklaring. Er is namelijk nooit zo’n koninklijk bordje geweest.

The Stuff of Thought, het nieuwe boek van de Amerikaanse taalpsycholoog Steven Pinker, heeft de goede eigenschappen van het verhaal over fuck: het gaat deels over taboewoorden, en deels over de vraag wat onze woorden eigenlijk betekenen. Ongecontroleerde onzin probeert Pinker daarbij zo veel mogelijk te vermijden: hij baseert zijn beweringen steeds op actueel wetenschappelijk onderzoek. Daarom vertelt hij over de oorsprong van fuck behalve het mooie verhaal ook de wat drogere waarheid – dat het van een Scandinavisch woord komt dat ‘duwen’ betekent.

Volgens de inleiding completeert The Stuff of Thought twee trilogieën van populair-wetenschappelijke boeken die Pinker in de afgelopen jaren schreef. Na The Language Instinct (1994) en Words and Rules (1999) is het zijn derde boek over taal; en na How the Mind Works (1997) en The Blank Slate (2002) is het tegelijkertijd zijn derde boek over de menselijke geest. Het nieuwe boek gaat over de manier waarop taal en denken elkaar raken, in de betekenis van woorden en zinnen. Wat vertelt taal over de manier waarop onze geest in elkaar zit? Waarom beantwoorden alleen pubers de vraag ‘kun je mij het zout aangeven?’ met ‘ja hoor’, zonder het zoutvaatje aan te reiken? Hoe kan het dat bijna alle Amerikanen die Steven heten rond de vijftig zijn? Al die vragen, en honderden meer, worden in Pinkers boek met grote vaart, humor en inzicht behandeld.

‘WIE HAGELSLAG OP DE TAART SPRENKELT, DOET IETS MET DE HAGELSLAG ÉN MET DE TAART.’

Met het vinden van de juiste betekenis van een woord zijn soms grote bedragen gemoeid. Pinker opent zijn boek met de terroristische aanslagen op 11 september 2001 in New York. Hoeveel destructieve gebeurtenissen troffen daar toen het World Trade Center? Je zou kunnen zeggen: twee, want er werden na elkaar twee vliegtuigjes in twee torens geboord door twee piloten. Maar je zou ook kunnen zeggen dat er in feite één grote terroristische aanslag werd gepleegd, in één alomvattend plan, bedacht door één en hetzelfde meesterbrein. Het hangt er maar vanaf wat je een ‘gebeurtenis’ noemt. Zo’n vraag lijkt haarkloverij, maar in dit specifieke geval was die semantische kwestie voor één persoon van groot financieel belang. Larry Silverstein, de eigenaar van het WTC, had een verzekering waarin stond dat hij voor iedere ‘destructieve gebeurtenis’ een schadevergoeding van ten hoogste drieënhalf miljard dollar kon krijgen. Had hij nu recht op één of twee keer dat bedrag?

Pinker laat zien dat de moderne taalkunde wel degelijk verrassende dingen te zeggen heeft over de ware betekenis van onze woorden. Neem de paradox van de hagelslag, de taart, de straat en het lege blikje. In het Nederlands kun je de zin ‘ik sprenkelde hagelslag op de taart’ vervangen door ‘ik besprenkelde de taart met hagelslag’. De vorm van de zin verandert, maar de betekenis blijft constant. Op dezelfde manier kun je zeggen ‘ik smeerde verf op het hout’ of ‘ik besmeerde het hout met verf’, ‘ik laadde hooi op de wagen’ of ‘ik belaadde de wagen met hooi’.

Goed, zou je kunnen denken, het Nederlands heeft dus twee manieren om hetzelfde te zeggen: ‘ik doe dit op dat’ of ‘ik be-doe dat met dit’. Er zijn ook wel aanwijzingen dat sprekers van het Nederlands die relatie systematisch leggen. Als iemand bijvoorbeeld voor de eerste keer de zin ‘ik spray verf op de muur’ hoort, kan hij onmiddellijk ook de zin ‘ik bespray de muur met verf’ maken. Ergens in ons hoofd hebben we die relatie leren leggen, net zoals we honderdduizenden andere feitjes over onze moedertaal al dan niet onbewust blijken te weten.

Maar nu komt het raadsel. Als we even doorzoeken, vinden we werkwoorden waarbij de truc niet werkt. Van ‘ik gooide het lege blikje op straat’ kun je niet ‘ik begooide de straat met het lege blikje’ maken. Als we ooit hebben geleerd om twee soorten zinnen met elkaar te verbinden, hoe hebben we dan tegelijkertijd geleerd dat die regel voor sommige werkwoorden niet geldt? Expliciet onderwijs is er waarschijnlijk niet aan te pas gekomen. Het is onwaarschijnlijk dat kinderen ooit de zin ‘ik begooide de straat met een leeg blikje’ brabbelen, en dan door hun moeders gecorrigeerd worden. Ook op school wordt nooit aandacht besteed aan deze regel, of aan de uitzonderingen. Hoe leren die kinderen dan dat ‘ik begooi de straat’ anders dan ‘ik bespray de muur’ geen goed Nederlands is?

Volgens Pinker komt dat doordat ‘ik laadde hooi op de wagen’ en ‘ik belaadde de wagen met hooi’ toch subtiel in betekenis verschillen. In het eerste geval doe je iets met het hooi – je laadt het op de wagen. In het tweede geval doe je iets met de wagen – je belaadt hem met hooi. Dat is meer dan een verschil in perspectief. Als je hooi op de wagen laadt, kan dat ook best een klein beetje zijn, maar als je de wagen met hooi belaadt, kun je niet met een paar zielige sprietjes volstaan. De kar moet vol, wil je kunnen zeggen dat je hem beladen hebt.

Voor veel werkwoorden zijn beide perspectieven mogelijk. Wie hagelslag op de taart sprenkelt, doet iets met de hagelslag én met de taart. Maar wie een leeg blikje op straat gooit, doet wel iets met het lege blikje, maar verandert nauwelijks iets aan de straat. Dat is de reden waarom ‘ik begooide de straat met het blikje’ potsierlijk klinkt. Het feit dat ongeveer alle Nederlandssprekenden het over dat oordeel eens zullen zijn, laat zien dat we allemaal in onze jeugd moeiteloos dit soort verfijnde betekenisverschillen hebben leren maken. En dat komt, volgens Pinker, dan weer doordat de mens geboren wordt met in zijn hoofd al een universeel, aangeboren gevoel voor sommige van die ragfijne betekenisverschillen.

‘EEN OLIFANT DIE NERGENS IS, DAT KAN EEN MENS ZICH NIET VOORSTELLEN.’

Voor Pinker zijn woorden taalmoleculen die zijn opgebouwd uit veel kleinere, elementaire betekenisonderdeeltjes, die taalkundigen door gedetailleerde analyse moeten kunnen ontdekken. Een olifant is een groot grijs zoogdier met een slurf, een zoogdier is een dier dat haar jongen voedt met moedermelk, melk is een emulsie van vetdruppels in water. Uiteindelijk kun je ieder woord beschrijven als een samenstelling van enkele primitieven. Pinker verdedigt met verve deze inspirerende, en overigens al eeuwenoude gedachte tegen alternatieven – bijvoorbeeld dat de betekenis van ieder woord zelf atomair is en niet kan worden opgedeeld. Daarbij is het dan wel jammer dat we geen concrete voorbeelden hebben van wat een ‘betekenisatoom’ precies is.

We komen wel in de richting. Zo zijn tijd en ruimte voor de menselijke geest onontkoombare categorieën. We kunnen ons geen voorwerpen voorstellen die niet op de een of andere manier in de tijd of de ruimte geplaatst zijn. Ons geestesoog kan best een olifant produceren die niet grijs is, niet groot, en geen slurf heeft – maar een olifant die nergens is, die zich niet op zeker moment op een bepaalde plaats bevindt, dat kan een mens zich niet voorstellen. Ook een olifant die een beetje rondzweeft, is natuurlijk altijd op een bepaalde plaats. Op dezelfde manier kunnen we ons niet een olifant naast een muis voorstellen, zonder dat we die olifant voor ons geestesoog concreet links of rechts van die muis plaatsen.

Zo leren we dat de locatie van voorwerpen waarschijnlijk in de menselijke geest zit ingebakken. Tegelijk beginnen we uit ander onderzoek ook beter te begrijpen hoe en waar categorieën van woorden zich in onze hersenen bevinden. Taboewoorden zoals neuken, kut en stront zouden wel eens dieper in de hersenen kunnen zitten dan woorden als geslachtsgemeenschap, vagina en uitwerpselen, en dichter bij emotionele centra, in het bijzonder bij hersengebieden die verband houden met negatieve gevoelens. Vandaar het kleine schokje dat de lezer voelt als hij die woorden in zijn moedertaal onder ogen krijgt. Dat ze op een andere manier in onze hersenen zijn opgeslagen, blijkt uit het feit dat sommige afasiepatiënten geen behoorlijke zin meer kunnen uitbrengen maar nog wel hartgrondig kunnen vloeken. Een hersenbloeding heeft in hun geval cruciale taalcentra beschadigd, maar de vloeken, die ergens anders zitten, ongemoeid gelaten.

Het omgekeerde komt ook voor: patiënten die op allerlei gebied nog zeer welsprekend zijn, maar zich geen vloekwoord meer kunnen herinneren (soms kunnen ze dan overigens ook niet meer bidden). Een ander bekend klinisch voorbeeld van de speciale plaats van taboewoorden in onze hersenen is het syndroom van Gilles de la Tourette; de bekendste – zij het niet veelvoorkomende – uitingsvorm hiervan is dat juist scheld- en schuttingwoorden ongecontroleerd worden uitgekreten.

‘OOK BIJ DE BESTE SCHRIJVERS IS ONGEVEER ACHT PROCENT VAN DE WOORDEN EEN ADJECTIEF.’

Pinker zet een ruime belezenheid in bij zijn zoektocht naar wat woorden en zinnen betekenen, en wat die betekenis vervolgens zegt over de structuur van de menselijke geest. Of het onderzoek nu gebaseerd is op lange lijsten Engelse werkwoorden en het soort zinnen waarin die kunnen voorkomen, op hersenscans, of op wijsgerige redeneringen over de aard van menselijke kennis – Pinker heeft het allemaal gelezen en weet het smakelijk na te vertellen. Hij aarzelt daarbij niet om in debat te treden en zelfs af en toe fel uit te halen. De taalkundige George Lakoff, bijvoorbeeld, momenteel een van de troetelintellectuelen van de Amerikaanse Democraten omdat hij die partij bijstaat in het ontwikkelen van een retorisch antwoord op de Republikeinen, krijgt voor de voeten geworpen dat hij ‘een neerbuigende en cynische theorie over politiek’ verkondigt, ‘die impliceert dat de gewone man alles zomaar slikt en dat het politieke debat niet kan en mag gaan over de feitelijke merites van beleidslijnen en mensen’.

Dat wil niet zeggen dat Pinker vindt dat de taalkundige niet kan bijdragen aan het maatschappelijke debat – integendeel. Maar hij pleit ervoor om die bijdrage minder te baseren op ideologie, zoals Lakoff in zijn ogen doet, en meer op gedegen onderzoek. Het is daarom ook niet zo vreemd dat hij op de achterflap een ander recent Amerikaans populair-wetenschappelijk boek over taal warm aanbeveelt: Far From the Madding Gerund van Mark Liberman en Geoffrey Pullum. ‘Iedereen die belangstelling heeft voor hoe we praten en schrijven, en hoe dat onze politiek, cultuur en wetenschap mede bepaalt, kan plezier hebben van deze geestige en doordachte stukjes.’

Die stukjes vormen een selectie van de eerste jaren van het weblog Language Log ( www.languagelog.org/) dat Liberman en Pullum samen met een keur van andere Amerikaanse taalkundigen sinds juli 2003 onderhouden. Iedere dag plaatsen ze er taalkundig commentaar op het nieuws voor niet-taalkundigen. Over het geheel genomen hebben die stukjes de prettige toon van nuchterheid. Toen bijvoorbeeld in 2006 media wereldwijd van elkaar het bericht nabauwden dat ‘vrouwen op een dag gemiddeld drie keer zoveel woorden gebruiken als mannen’, waren de meeste mensen geneigd dat onmiddellijk voor waar aan te nemen: mannen omdat ze toch al vonden dat vrouwen te veel kletsten en vrouwen omdat ze vonden dat hun man zo vaak op de bank zat te zwijgen. Liberman deed toen voor Language Log wat alle journalisten nalieten: hij ging op onderzoek uit. Waar kwam dat getal vandaan? De bron bleek de Amerikaanse psychologe Louann Brizendine te zijn. Zij had de gegevens eenvoudigweg verzonnen om substantie te geven aan haar boek The Female Brain (2006). Echt betrouwbare cijfers over dit onderwerp bleken niet bekend, maar de beschikbare data wijzen er vooralsnog op dat er geen significant verschil bestaat tussen mannen en vrouwen: ze praten vrijwel evenveel.

Veel van de leukste stukjes die Liberman en Pullum in hun boek verzameld hebben, ruimen misverstanden uit de weg. Zo hamert het populaire taaladviesboek The Elements of Style (1959) van William Strunk en E.B. White er al decennia op dat goede schrijvers geen of zo min mogelijk bijvoeglijk naamwoorden gebruiken, terwijl in werkelijkheid ook bij de beste schrijvers ongeveer acht procent van de woorden een adjectief is. ‘Idioot advies’, noemt Pullum dat, ‘en onmogelijk om op te volgen. En natuurlijk gebruiken Strunk en White in hun volgende zin zelf wél bijvoeglijk naamwoorden.’

‘GRAMMATICI ZIJN IN FEITE SENSUELE, SEXY EN OPWINDENDE MENSEN.’

Van de twee auteurs die aan Far From the Madding Gerund hebben bijgedragen, is Pullum het opgewonden standje. Hij barst geregeld in woede uit. Bijvoorbeeld om mensen die denken dat grammatici maar stoffige zeurpieten zijn (‘Grammatici zijn in feite sensuele, sexy en opwindende mensen. Wie door een grammaticus gekust wordt, blijft zijn leven lang gekust.’), of om schoolmeesters en pedante lieden die onzinnige dingen beweren over taal zonder er voldoende over na te denken. Microsoft vermeldt bijvoorbeeld op zijn website in een stijlgids dat eigen merknamen, zoals PowerPoint en Word, nooit in een genitief of meervoudsvorm gebruikt mogen worden. Maar het bedrijf gaat daarmee wel voorbij aan het feit dat het een product uitbrengt dat Windows heet, een woord dat van zichzelf al een meervoudsvorm is, terwijl elders op de website gesproken wordt van Microsoft’s mission, met een genitiefvorm van Microsoft. ‘Zoals zo vaak vinden de voorschrijvers dat hun voorschriften niet op henzelf van toepassing zijn, alleen op kleine luiden zoals u en ik’, schrijft Pullum dan.

Liberman is lankmoediger en speelser. Als informatici schrijven over een supergrote harde schijf die een ‘exabyte’ aan informatie kan bevatten (dat is een miljard gigabyte) en daarbij beweren dat vijf exabyte ‘alle zinnen zou kunnen bevatten die ooit door mensen gesproken zijn’, begint Liberman te rekenen. Hij komt tot de conclusie dat een harde schijf van vijf exabyte minstens achtduizend keer te klein zou zijn, in ieder geval als je al die zinnen als audiobestand wilt opslaan – en dat wil je, want voor de meeste talen bestaat helemaal geen schrift.

Naar aanleiding van een interview met de postmodernistische taalfilosoof Jacques Derrida introduceert Liberman een gezelschapsspel: neem een zin uit het oeuvre van deze Franse denker en schrijf een variant waarin het ene woord of zinsdeel vervangen is door een ander met de tegengestelde betekenis. Wie kan raden welke van de twee het origineel is? Liberman illustreert het spel aan de hand van een zin uit de Engelse vertaling van Derrida’s De la grammatologie (1967): ‘difference is never in itself a sensible plenitude’. Die kan worden vervangen door zinnen als ‘difference is always in itself a sensible plenitude’, ‘difference is never a plenitude in relation to other things’, ‘similarity is never in itself a sensible plenitude’ en (Libermans favoriet) ‘similarity is always in itself an imperceptible emptiness’.

Het citaat is waarschijnlijk niet voor niets van Derrida afkomstig, en niet voor niets uit diens boek over ‘grammatologie’. Deze filosoof is een prominent voorbeeld van de bijna eindeloze rij intellectuelen die zich met veel autoriteit over taal hebben uitgesproken zonder blijkbaar kennis te hebben genomen van het onderzoek dat naar dat onderwerp is gedaan en – zoals het gezelschapsspel laat zien – met minachting voor het gezonde verstand. Want dat is de indruk die Liberman en Pullum maken in dit boek: twee heldere geesten die zich met de moed der wanhoop een pad hakken door een oerwoud van onbegrip. Iedere dag opnieuw duikt er weer iemand op die zonder veel kennis van zaken zomaar iets beweert over taal. Language Log trekt in ieder geval de aandacht: als er een nieuwsbericht met een foutje verschijnt, ontvangen de auteurs binnen een paar minuten een e-mail van een bankier, een computerprogrammeur, een huisarts, een advocaat of een scholier om ze op dat foutje te wijzen.

Far From the Madding Gerund verdient eenzelfde populariteit, want het is vooral een vrolijk boek, dat je doet voelen hoe prettig het is om een rationeel mens te zijn, om dingen die je niet weet te onderzoeken en om je gezonde verstand te gebruiken. Pinker, Liberman en Pullum willen uiteindelijk alle drie hetzelfde laten zien: dat er zoveel dingen zijn die we nog niet begrijpen van dat wezenlijke aspect van de mens, zijn taal, en dat het vaak met wat nadenken helemaal niet zo moeilijk is om aan die onwetendheid een einde te maken. En hoe de werkelijkheid echt in elkaar zit, is oneindig veel interessanter dan onzinverhalen over de oorsprong van fuck.


Marc van Oostendorp is taalkundig onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW) en bijzonder hoogleraar fonologische microvariatie aan de Universiteit Leiden.


Besproken boeken:
FAR FROM THE MADDING GERUND. AND OTHER DISPATCHES FROM LANGUAGE LOG
door Mark Liberman en Geoffrey K. Pullum
William, James & Co. Wilsonville 2006.
376 pag.
, € 24,95
THE STUFF OF THOUGHT. LANGUAGE AS A WINDOW INTO HUMAN NATURE
door Steven Pinker
Allen Lane (Penguin Group). New York 2007.
512 pag.
, € 23,95