De keuze van Albert Heck
Geertje Dekkers
---
Robbert Dijkgraaf
Mathematische thrillers
Over de schoonheid van grote vermoedens
---
James Kennedy
Continent van extremen
Barbarisme binnen de beschaving
---
Wiel Hoekstra
Darwin is niet dood
---
Niek Pas
Postkoloniale stress in Frankrijk
---
Hans de Bruijn
QWERTY
De wonderbaarlijke geschiedenis van de typemachine
---
Willem Witteveen
De almachtige Voltaire
Een leven als theatervoorstelling
---
Tonnus Oosterhoff
[Zonder titel]
Gedicht
---
Dick Swaab
De onbetrouwbare Bijbel
---
ABG VN ESSAY PRIJS VOOR NIEUW ACADEMISCH SCHRIJFTALENT
SHORTLIST


James Kennedy

Continent van extremen

Barbarisme binnen de beschaving

ABG ()  
- ADVERTENTIES -

Barbarism & Civilization. A History of Europe in Our Time
Bernard Wasserstein
Een nieuwe geschiedenis van Europa laat zien dat barbarij en beschaving in de twintigste eeuw geen tegenpolen waren maar hand in hand gingen.

‘Europa’ was een fictie voor het grootste deel van de laatste honderd jaar, erkent de eminente Britse historicus Bernard Wasserstein: ‘It did not exist as a focus of loyalty or even as a meaningful category for most inhabitants of the continent.’ En dat is de enige reden waarom historici liever nationale geschiedenissen schrijven over de twintigste eeuw of de geschiedenis van Europa beperken tot een halve eeuw (zoals Postwar. A History of Europe Since 1945 van de in Engeland geboren Tony Judt), of het schrijven van een dergelijke geschiedenis gebruiken om de idee van Europa te ondergraven, zoals Wassersteins (eveneens Britse) collega Mark Mazower bijna een decennium geleden deed in Dark Continent. Europe’s Twentieth Century.

Het lijkt ook een hachelijke onderneming om de geschiedenis van een hele eeuw te beschrijven voor een gebied dat zich uitstrekt van Groenland – Wasserstein herinnert ons eraan dat het tussen 1973 en 1982 even deel uitmaakte van de Europese Gemeenschap – tot Istanbul en Gallipoli aan de uiterste grenzen van Europees Turkije. Maar dit is precies wat Wasserstein met succes heeft gedaan in zijn net verschenen Barbarism & Civilization.

Voor grote onderwerpen deinst deze bijna zestig jaar oude historicus, tegenwoordig verbonden aan de Universiteit van Chicago, niet terug. Barbarism & Civilization is het tiende boek van een man die al heeft bewezen een veelzijdig historicus te zijn. Wasserstein schreef boeken over de Joden in het Europa van de twintigste eeuw, over de Palestijnen en Israël en over de internationale intriges in het China van de jaren dertig en veertig. Maar dit project is in onderwerpskeuze wellicht het meest ambitieuze boek dat hij tot nu toe heeft geschreven.

Wasserstein definieert Europa geografisch, hoewel hij de beperkingen van een dergelijke afbakening erkent. Hij neemt zich in dit boek voor om de geschiedenis te schrijven van ‘the institutions, the events, the ideas that have shaped our immediate environment’ sinds 1914, een periode die zich karakteriseert door zowel verbazingwekkende hoogstandjes van de beschaving als weerzinwekkende barbaarse praktijken. Geïnspireerd door de filosoof Walter Benjamin – die betoogde dat barbarij en beschaving geen tegenpolen zijn, maar in dialectische spanning met elkaar staan – verwijst de titel van Wassersteins nieuwste boek niet naar de uiteindelijke overwinning van de beschaving, maar naar de manier waarop beschaving en barbarisme volgens de auteur hand in hand gaan.

‘BESCHAVING IN DE TWINTIGSTE EEUW IS TE ZIEN IN DE BEHANDELING VAN GEESTELIJK GEHANDICAPTEN, GEVANGENEN, KINDEREN EN DIEREN.’

‘Civilization’ is in Wassersteins visie een technologische en sociale ontwikkeling die de levensomstandigheden van de meeste Europeanen in de laatste eeuw enorm heeft verbeterd – een ontwikkeling die hij staaft met een rijkdom aan statistische informatie. Civilization lijkt echter vooral naar voren te komen in de toename van ‘tenderness’, zoals duidelijk wordt in de nieuwe benadering en behandeling van ‘the mentally ill, the disabled, prisoners, children and animals’. De vermindering van geweld sinds de jaren vijftig was ook zichtbaar in dictatoriale regimes die kort daarvoor nog bijzonder gewelddadig waren geweest; zo slaagde het Sovjetleiderschap er in 1964 in om Chroesjtsjov op geweldloze wijze te verwijderen uit zijn functie.

Wasserstein weigert al te veel hoop te putten uit deze ontwikkelingen. Hij signaleert een ‘competing tendency’ naar barbarisme gedurende de geschiedenis van de laatste eeuw in Europa. Hij verhaalt dan ook met huiveringwekkende details over de ‘killing fields…bombardments…the slaughter of innocents…“civil” wars, the slave-labour camps...the charnal houses of Auschwitz…and the political terrorism in Bologna [waar in 1980 een door neofascisten geplaatste bom 85 mensen het leven benam], Istanbul, Madrid and London.’ Het zijn allemaal bewijzen van ‘the barbarism deeply implanted in the heart of our civilization’, meent de auteur in zijn conclusie. In het Europa van nu richt Wasserstein zijn aandacht niet alleen op het terrorisme. Ook de ‘coarseness’ en ‘vulgarization’ van kunst suggereren volgens hem dat ‘green shoots of barbarism were sprouting within this most sophisticated civilization’.

Hij vraagt zich dan ook af of ‘the most literate, best-educated, most leisured generation in European history’ na de ongeëvenaarde neergang van het christendom nog wel een waardenstelsel heeft om de nieuwe uitdagingen van de toekomst aan te kunnen. ‘Evil stalked the earth, moving men’s minds, ruling their actions, and begetting the lies, greed, deceit, and cruelty that are the stuff of the history of Europe in our time.’ Wasserstein eindigt zijn epos dan ook zwaarmoedig.

Op deze en andere momenten maakt Wasserstein de lezer graag deelgenoot van zijn morele inzichten en soms doordringende gevoelens over de twintigste-eeuwse geschiedenis van Europa. Maar diegenen die hopen op een meer theoretische of systematische analyse van de dialectische relatie tussen beschaving en barbarisme naar Benjamins voorbeeld zullen teleurgesteld zijn. Wassersteins verwijzingen naar barbarisme en beschaving figureren zo nu en dan in het boek, maar worden naarmate de geschiedenis vordert minder vaak uit de kast getrokken.

Het bevreemdt eveneens dat Wasserstein zo weinig aandacht schenkt aan de Europese intellectuelen van de twintigste eeuw, die over dit onderwerp wel veel hebben nagedacht. Zo worden Freud en zijn culturele kritiek in één alinea afgedaan. Basisvragen die zouden kunnen voortkomen uit dit thema – waarin verschilt Europa van de rest van de wereld in de verhouding tussen barbarisme en beschaving? – komen nauwelijks aan de orde.

‘AAN HET BEGIN VAN DE TWINTIGSTE EEUW HAD PARIJS 30.000 CAFÉS EN BOEDAPEST SLECHTS 600.’

Dit boek is dus geen theoretische interpretatie van de Europese geschiedenis. Maar het gebruik van het thema ‘barbarism and civilization’ laat wel zien hoe Europa in de laatste eeuw een continent is geweest van extremen, ‘an age of extremes’ – om Eric Hobsbawms geschiedschrijving van de hele wereld tussen 1914 en 1991 te citeren. Wat dit boek de moeite waard maakt, is dat het ons een zeer goed geïnformeerd, overzichtelijk en helder perspectief geeft op de Europese geschiedenis. Bovendien is het zeer toegankelijk en makkelijk leesbaar. Dat is niet eenvoudig, gezien de enorme historiografie op dit gebied, maar Wasserstein heeft zich goed van zijn taak gekweten. Zijn sterke punt is de presentatie: uitstekende samenvattingen, vloeiende overgangen, afgewisseld met korte overzichten van relevante historiografische debatten (over bijvoorbeeld de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog of van de economische crisis), dit alles voorzien van eigen beknopt commentaar.

Driekwart van de twintig hoofdstukken in Barbarism & Civilization betreft chronologische beschrijvingen van vooral politieke ontwikkelingen – niet alleen de bovengenoemde barbarijen, ook de invloed van het Populaire Front in Frankrijk, de ‘jeugdrebellie’ van de jaren zestig en de opkomst van het neoliberalisme. Wassersteins blik is breder dan die van Mazower in Dark Continent, het boek dat hier waarschijnlijk het meest op lijkt. Waar Mazower zich voornamelijk concentreerde op de veranderde politieke en economische verhoudingen van het Europa van de twintigste eeuw, heeft Wasserstein geprobeerd ook de militaire en diplomatieke geschiedenis erbij te betrekken. Zo geeft hij veel informatie en inzicht in gevechten op het slagveld, zoals die van de Marne in 1914, en in onderhandelingen, zoals het Molotov-Ribbentrop Verdrag van 1939. De meeste van deze hoofdstukken zullen voor deskundigen weinig nieuwe informatie bevatten, maar het zou ook niet eerlijk zijn om originaliteit te verwachten gezien de ambitie heel Europa in deze tijd voor zijn rekening te nemen.

Misschien opvallender dan de hoofdstukken over politiek zijn de overige vijf, waarin momenten van de Europese geschiedenis (respectievelijk 1914, de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog, de jaren zestig en nu) op een kleurrijke manier beschreven worden, met aandacht voor de sociale, culturele en religieuze ontwikkelingen (in afnemende orde van betekenis). De gebeurtenissen in dat tijdsbestek worden vaak geïllustreerd met een schijnbaar onuitputtelijke hoeveelheid behulpzame statistieken. Wasserstein schetst bijvoorbeeld bedreven de contouren van het Europese leven in de stad en op het platteland in 1914. Hij analyseert de nieuwe sociale rol van het café in de steden aan het begin van de vorige eeuw (30.000 in Parijs en slechts 600 in Boedapest). Hij beschrijft in geuren en kleuren de gebruiken op het platteland rond het baden en het wassen van kleren, de leefomgeving van mens en dier en de rol van volksreligie in een tijd waarin veel plattelandsbewoners in grote delen van Europa laaggeletterd waren.

Ook het laatste hoofdstuk ‘Europe in the New Millennium’ geeft een uitstekend overzicht van de veranderingen die Europa de afgelopen honderd jaar hebben meegezogen: bekende processen zoals de afnemende betekenis van religie en de toename van de geletterdheid; maar ook minder bekende ontwikkelingen, zoals de groei van de structurele werkloosheid. Vooral Wassersteins behandeling van de communicatierevolutie – in 2005 had 36 procent van de Europeanen toegang tot internet – is een mooi overzicht van de veranderingen in het gebruik en de functie van taal. Hij staat onder meer stil bij bedreigingen voor het Frans en de bijna-verdwijning van bijvoorbeeld het Bretons, Gaelic, Ladino, Livonisch en Jiddisch (deze laatste taal is al eens onderwerp geweest van Wassersteins eerdere werk over de Joodse diaspora).

‘ANDERS DAN HET NAZISME MET ZIJN CAVE-MAN MORALITY WAS HET COMMUNISME EEN VERLICHT IDEAAL VAN MENSELIJKE RECHTVAARDIGHEID EN BROEDERSCHAP.’

Het is Wassersteins evenwichtige presentatie van de uiteenlopende kenmerken van het Europese leven waardoor dit boek een aanrader is. Hij beperkt zich niet tot de politieke geschiedenis, maar neemt ook andere ontwikkelingen in ogenschouw; hij geeft evenveel aandacht aan de voor- als aan de naoorlogse periode. Dit gevoel voor evenwicht komt ook enigszins tot uiting in zijn belangstelling voor zowel de grote als de kleine landen in Europa. Roemeense boeren figureren net zo goed in dit boek als Duitse intellectuelen. Het is natuurlijk vanzelfsprekend dat de grote landen een prominenter plaats innemen in de geschiedschrijving en ook hoeft het geen verbazing te wekken dat Wasserstein meer thuis is in de Britse nationale geschiedenis, dan in de Franse of de Duitse.

Wat wel opvalt, is zijn aandacht voor Oost-Europese landen; de geschiedschrijving van de landen uit het voormalige Warschaupact en Griekenland komt uitgebreid aan de orde. Sowieso speelt de geschiedenis van het communisme in Europa – niet alleen in het Oostblok, maar ook in landen als Frankrijk en Italië – een belangrijke rol. Tussen de regels door is zichtbaar hoe deze geschiedenis goed past binnen Wassersteins thema van ‘barbarism and civilization’, omdat deze ideologie zo treffend uitdrukking gaf aan zowel de meest beschaafde idealen als de meest barbaarse praktijken. In tegenstelling tot het reactionaire nazisme en zijn ‘cave-man morality’, schrijft Wasserstein, was het communisme een verlicht ideaal van menselijke rechtvaardigheid en broederschap dat echter in de praktijk ‘drowned millions in blood and trampled its ideals in shame’. Wassersteins analyse van de politieke en sociale ontwikkelingen in Oost-Europa, vooral tussen 1944 en 1991, is een van de sterke punten in dit boek.

In tegenstelling tot de kleine landen in Oost-Europa moeten die van West-Europa het met minder doen. Alleen Zweden krijgt – vooral als ideaaltype van de verzorgingsstaat – vrij veel aandacht naast de uitvoeriger behandeling van Frankrijk, Duitsland, Italië, het Iberisch schiereiland en de Britse eilanden. Wasserstein laat weinig ruimte voor ontwikkelingen in bijvoorbeeld Nederland. Meer dan bij andere West-Europese landen concentreren de verwijzingen naar Nederland zich op de Tweede Wereldoorlog – de enige periode waarin Nederland in de twintigste eeuw blijkbaar een belangrijk deel uitmaakte van een bredere (en tragische) Europese ontwikkeling. Het verhaal van de Nederlandse dekolonisatie wordt in één alinea besproken. In zijn korte verhandeling over Srebrenica en het rapport van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), merkt Wasserstein wat droogjes op dat de val van het Nederlandse kabinet in 2002 ‘is the only known occasion on which historians have brought down a government’.

Het is de befaamde Britse historicus zeker toegestaan om selectief te zijn in dit overzichtswerk en het zou dwaas zijn om de waarde van dit boek te bepalen op grond van het aantal verwijzingen naar Nederland in de index. Maar het doet wel vragen rijzen naar de plaats van Nederland in de twintigste-eeuwse geschiedenis. Hoewel sommige niet-Nederlandse historici meer aandacht geven aan dit kleine land, lijkt Nederland zich vaker te bevinden in de historiografische achtertuin van de recente Europese geschiedenis. Dit is deels te wijten aan het feit dat de Nederlandse geschiedenis en historiografie niet zo toegankelijk zijn voor buitenlandse historici, maar zal ook deels veroorzaakt zijn door de weinig opzienbarende rol van Nederland (en de Scandinavische landen) in het geweld en de dictatuur binnen Europa tijdens de afgelopen eeuw. In dit opzicht lijken ze soms haast buiten Europa te staan, in elk geval in de analyse van Wasserstein.

Wasserstein geeft geen opvallende nieuwe inzichten over de Europese geschiedenis van de afgelopen eeuw. Dat was ook niet de bedoeling. Maar of je nu een modern Nederlands historicus bent of niet, Barbarism & Civilization is de moeite waard om te lezen. Het is goed geïnformeerd, helder geschreven, uitstekend geordend en analytisch overtuigend. Het verdient een plaats in de bibliotheek van ieder die ‘het Europa van onze tijd’ wil begrijpen. En het herinnert ons er bovendien aan – als we het vergeten waren – dat barbarisme niet alleen buiten onze beschaving te vinden is.


James C. Kennedy is hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.


Besproken boeken:
Barbarism & Civilization. A History of Europe in Our Time
door Bernard Wasserstein
Oxford University Press. New York 2007.
928 pag.
, € 42,45