De keuze van Ernestine van der Wall
door Eva van den Broek
---
door Hester Korthals Altes
Het recht van de sluwste
De strijd tussen muterende ziekmakers en de lichaamspolitie
---
door Hans de Bruijn
Contraspionage
Hoe de Stasi haar eigen val veroorzaakte
---
door Fred Muller
Tijd wacht op niemand
Filosofische visies op het bestaan van de vierde dimensie
---
door Peter Hoppenbrouwers
Duisternis der demografen
Middeleeuwse kijk op huwelijksmoraal en bevolkingspolitiek
---
door Sarah de Rijcke en Anne Beaulieu
Platen vullen geen gaten
Waarom wetenschappelijke afbeeldingen niet vanzelf spreken
---
Ilja Leonard Pfeijffer
Sonnetten
---
door Maarten van Buuren
De schemering van Simenon
Een literatuurgeschiedenis van België bestaat niet
---
door Henkjan Honing
Muziek de maat genomen


door Henkjan Honing

Muziek de maat genomen

Over de groeiende rol van theorie en observatie in de musicologie

ABG 47 (2004)  
 

Empirical Musicology. Aims, Methods and Prospects
Eric F. Clarke en Nicholas Cook (red.)
De Academische Boekengids 47, november 2004, pp. 23.


Tot twintig jaar geleden was de muziekwetenschap het domein van cultuurhistorici. Met de opkomst van digitale meetapparatuur heeft de musicologie een meer empirisch karakter gekregen. De timing van een pianist wordt nu gevangen in een grafiek.

Wat is er nu zo karakteristiek aan de timing van de legendarische pianist Glenn Gould? Dwingt een bepaalde compositie tot het ‘enige juiste’ uitvoeringstempo, zoals de componist Felix Mendelsohn suggereerde? Hoe is muziek te analyseren waarvan geen partituur voorhanden is, zoals jazz, pop en niet-westerse muziek?

Met dit soort vragen houden musicologen zich tegenwoordig uitgebreid bezig. De muziekwetenschap heeft de afgelopen decennia een belangrijke verandering ondergaan. De focus binnen het vakgebied heeft zich verlegd van het fenomeen muziek als kunst(werk), waarin de partituur en haar cultuurhistorische context centraal staan, naar muziek als klank. Daarin spelen de uitvoerend musicus en de luisteraar een centrale rol. Het is met name de systematische musicologie die zich in de laatste twintig jaar ontwikkelde van ‘a mere extension of musicology’ naar een ‘complete reorientation of the discipline to fundamental questions which are non-historical in nature’, zo stelt The New Grove Dictionary of Music and Musicians.

Deze veranderingen vertonen parallellen met de heroriëntatie die plaatsvond in de taalwetenschap in de jaren zestig en zeventig. Ook in de musicologie heeft de ‘cognitieve revolutie’ – het idee dat ons denken en onze kennis over de wereld een belangrijke rol spelen in het begrijpen van de werkelijkheid – voor grote veranderingen gezorgd. Voornaamste exponent van dit proces is een explosief groeiende aandacht voor de empirische en cognitieve aspecten van muziek (de vragen in de aanhef van dit artikel zijn hier voorbeelden van). Dit deelgebied van de musicologie, naast ‘systematische’ ook wel ‘cognitieve musicologie’ genoemd, verenigt onderzoek dat voorheen slechts in de marges van de psychologie, de informatica en de (etno)musicologie werd gedaan. Bij elkaar genomen heeft dit zich inmiddels uitgebreid tot een omvangrijk, internationaal georiënteerd vakgebied.

De bundel Empirical Musicology, onder redactie van Eric F. Clarke en Nicholas Cook, beschrijft niet alleen de nieuwe onderzoeksvragen, maar zet ook de benodigde empirische en computationele methoden uiteen. Wat opvalt, is een duidelijke tendens tot ‘verwetenschappelijking’ van het muziekonderzoek. Deze ontwikkeling komt voort uit de wens om theorieën te staven met empirische observaties, en omgekeerd, om tot theorievorming te komen door feitelijke observaties te interpreteren en te analyseren. Zij wordt overigens begeleid door kritische geluiden uit de hoek van de postmoderne muziekwetenschap. Deze stelt het belang van de wetenschappelijke methode ter discussie en benadrukt de rol van subjectiviteit.

ER IS EEN DUIDELIJKE TENDENS NAAR ‘VERWETENSCHAPPELIJKING’ VAN HET MUZIEKONDERZOEK.

Een belangrijke voorwaarde voor het veranderende karakter van de muziekwetenschap was het algemeen beschikbaar komen van nieuwe technologieën, zoals de pc en MIDI (een commerciële standaard voor de uitwisseling van informatie tussen elektronische muziekinstrumenten en computers). Die hebben het mogelijk gemaakt om muzikale uitvoeringen eenvoudig vast te leggen en te analyseren. Deze ontwikkeling heeft een ware vloedgolf van empirische studies teweeggebracht.

Een voorbeeld van dit soort empirisch onderzoek betreft het gebruik van ‘expressieve timing’ in pianomuziek. Het eenvoudig kunnen meten en exact repliceren van uitvoeringen op een concertvleugel (met MIDI, een moderne pianola) maakte het mogelijk om het gebruik van timing te onderzoeken. Deze blijkt grotendeels verklaard te kunnen worden uit de structuur van het muziekstuk. Pianisten gebruiken timing – naast dynamiek en articulatie – om hun interpretatie van de structuur van de muziek te communiceren aan de luisteraar. Net als in spraak, vertragen de uitvoerders vaak het tempo tegen het einde van een muzikale zin of frase (final phrase lengthening), om het einde aan te kondigen. De melodie wordt dan veelal tientallen milliseconden eerder gespeeld dan de begeleiding om haar ‘eruit te laten springen’. Verder werd duidelijk dat musici hun timing aanpassen aan het tempo van de uitvoering, en dat zij niet simpelweg alles sneller spelen, zoals sommige theorieën tot dan toe claimden. Ook zijn allerlei precieze inzichten verkregen in de timingverschillen tussen musici met uiteenlopende achtergronden, of die karakteristiek zijn voor een bepaalde school of speelstijl.

Clarke en Cook maken zelf overigens geen hard onderscheid tussen empirische en niet-empirische musicologie, omdat er volgens hen niet zoiets bestaat als een niet-empirische musicologie: alle muziekwetenschap is immers ‘empirisch’ in de zin dat zij ideeën en interpretaties probeert te toetsen aan een externe werkelijkheid.

IN NEDERLAND KRIJGEN NIET-HISTORISCH GEORIËNTEERDE MUZIEKWETENSCHAPPEN NOG STEEDS RELATIEF WEINIG AANDACHT, IN TEGENSTELLING TOT BIJVOORBEELD ENGELAND, FRANKRIJK EN NOORD-AMERIKA.

De Canadees David Huron – een pionier op het gebied van de empirische muziekwetenschap – maakte in een artikel uit 1999 binnen de nieuwe, empirische musicologie het belangrijke onderscheid tussen onderzoeksdomeinen die ‘data-poor’ of ‘data-rich’ zijn. Deze begrippen duiden op de hoeveelheid empirisch bewijs die voor een bepaalde theorie of hypothese gevonden kan worden. Historisch georiënteerde musicologen zien zich vaak geconfronteerd met het onomstotelijke feit dat een werk maar in één versie beschikbaar is (‘data-poor’ volgens Huron). Er zijn dan bijvoorbeeld weinig of geen mogelijkheden om een bepaalde hypothese of interpretatie met empirische feiten tegen te spreken. Clarke en Cook waarschuwen dat dit kan leiden tot ‘interpretational conservatism’ in de historisch georiënteerde musicologie, ‘a degree of conservatism that can easily turn into dogmatism’. Musicologen die daarentegen geïnteresseerd zijn in de actuele muziek- en uitvoeringspraktijk, en in de verschillende hedendaagse muziekculturen, hebben een veel groter arsenaal aan ‘data’ voorhanden (‘data-rich’ volgens Huron). Denk bijvoorbeeld aan alle registraties van uitvoeringen die inmiddels beschikbaar zijn.

In Empirical Musicology komen verder etnomusicologische (Jonathan Stock), muzieksociologische (Tia DeNora), muziekpsychologische (Eric F. Clarke), systematische (Nicholas Cook en Anthony Pople) en methodologische (Luke Windsor) aspecten van recent muziekwetenschappelijk onderzoek aan de orde. Vooral in de technieken zijn er ontwikkelingen geweest; er zijn nieuwe methoden ontstaan die essentieel zijn voor het bestuderen van ‘muziek als klank’. Dat biedt een oplossing voor een actueel probleem, zoals het bestuderen van veel recent gecomponeerde muziek, maar ook van muziek waarin de partituur een minder centrale rol speelt, zoals in de jazz en de popmuziek, of in de verschillende soorten elektronische muziek die sinds de jaren zestig zijn ontstaan (van musique acousmatique tot drum & bass).

Empirical Musicology brengt een relatief onontgonnen gebied van de niet-historisch georiënteerde muziekwetenschappen verder in kaart. In Nederland krijgt dit vakgebied nog steeds relatief weinig aandacht, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Engeland, Frankrijk en Noord-Amerika. Tot nu toe gaat in ons land de meeste aandacht uit naar de historische muziekwetenschap. Niettemin is het duidelijk dat de niet-historische aspecten van muziek (zoals sociologische, psychologische, computationele, akoestische en filosofische) internationaal gezien steeds belangrijker worden. (Zie bijvoorbeeld www.musicog.ohio-state.edu/Resources/ voor een overzicht van internationaal onderzoek op dit gebied.) Dit is een ontwikkeling die de muziekwetenschap wel eens uit haar relatieve isolement zou kunnen halen.


Henkjan Honing is als universitair docent verbonden aan de leerstoelgroep muziekwetenschap en aan het Institute for Logic, Language and Computation (ILLC) van de Universiteit van Amsterdam.


Besproken boeken:
Empirical Musicology. Aims, Methods and Prospects
door Eric F. Clarke en Nicholas Cook (red.)
Oxford University Press. Oxford 2004.
304 pag.
, € 37,05



Literatuur:
-Henkjan Honing, ‘Een vertelling over muziek, motoriek en metafoor’, Mens en Melodie, 59(3), 2004.
-David Huron, The New Empiricism. Systematic Musicology in a Postmodern Age (The 1999 Ernst Bloch Lectures). Berkeley, University of California Press, 1999. (Zie www.music-cog.ohio-state.edu/Music220/Bloch.lectures/" ).